Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rom. 11 : 39, Col. 1 : 15, Hebr. 1 : 3, Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is zij in haar bestaan nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware niet-zijn. De gansche wereld met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en duisternis, alles is zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22, 9:14, Lev. 26 : 3v., Deut. 11 : 12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107, 147, Jer. 3:3, 5 : 24, Mt. 5 : 45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve. God zorgt voor alle schepselen, voor dieren, Gen. 1: 30, 6 : 19, 7 : 2, 9 : 10, Job 38 : 41, Ps. 36 : 7, 104 : 27, 147 : 9, Joël 1 : 20, Mt. 6 : 26 enz., en inzonderheid ook voor menschen. Hij ziet hen allen, Job 34:21, Ps. 33 :13, 14, Spr. 15 :3, formeert hun aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33 :15, Spr. 5 :21; zij zijn allen zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de rijken, Spr. 22 :2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd. 17:26, neigt aller hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen, Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer. 10:23 enz., en doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4: 35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand des pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt, Jes. 29 :16, 45 : 9, Jer. 18 : 5, Rom. 9 : 20, 21.

Zeer bijzonder gaat zijn voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis van de aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en van ieder geloovige is daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun ten kwade hebben gedacht, denkt God hun ten goede, Gen. 50 vs. 20; alle instrument tegen hen bereid, zal niet gelukken, Jes. 54:17; zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld, Mt. 10 : 30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zoo staat al het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval en noodlot, zijn der Schrift onbekend, Ex. 21 : 13, Spr. 16 : 33. Het is God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1:11, en alles dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan de eere zijns naams, Spr. 16 : 4, Rom. 11 : 36. Dit alles vat de Schrift op schoone wijze daarin saam, dat zij telkenmale van God spreekt als van een Koning, die alle dingen regeert, Ps. 10 : 16, 24 : 7, 8, 29 : 10, 44 : 5, 47 : 7, 74 : 12, 115: 3, Jes. 33 : 22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de Heere der heeren; een Koning, die in Christus een Vader is voor zijne onderdanen, en een Vader, die tevens Koning is over zijne kinderen. Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en engelenwereld, in

Sluiten