Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorge voor, van liefde tot, van bescherming van den een door den ander, is eene zwakke afschaduwing van G-ods voorzienig bestel over alle werken zijner handen. Zijne volstrekte macht en zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object van het voorzienigheidsgeloof in de H. Schrift.

Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de natuur aan alle menschen ten deele bekend. Zij is een geloofsartikel in iederen, ook in den meest verbasterden godsdienst; wie haar ontkent, ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor geloof en hope, voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom God dienen, vraagt Cicero 1), indien Hij zich in het geheel niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het woord van Sophocles 2): ïgii fieyag sv oioavoi Zsvg, óg tyooa navxa xai xqutvvsi. En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid Gods menigmaal erkend en verdedigd 3). Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het Christendom is. Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan practijk, meer wijsgeerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in nood en in dood; het slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen en weer. Wijl God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder der wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens 4). Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch voor hem geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als i'orjaig rorjaecog staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil, zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulpe of liefde te wachten 5). Bij de Stoa was de nqovoia met de dauo;xtvij en de (pvaig identisch, en volgens

') Cicero, de nat. deor. I 2.

-) Sophocles, Electra 173.

3) Bijv. Socrates bij Xenophon, Mem. I 4. IV 3. Plato, Leg. X 901. Rep. X 613 A. Aristoteles, Eth. Nie. X 9. De Stoa bij Cicero, de nat. deor. II. Seneea, de providentia, de beneficiis. Cicero, de nat. deor. I 2. III 26. Plutarchus, de fato. Plotinus, ntoi eluaQutvrjg en jitot nqovoiccg. Philo, negi ngovotccg, ci. Schürer, Gescb. des jtid. Yolkes lil3 531 v.

') Zeiler, Philos. d. Gr. II* 928.

') Zeiler, t. a. p. III 368 v. 790 v.

Sluiten