Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üipicurus was de voorzienigheid met de zaligheid der Goden in strijd *). En wel spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval en noodlot beide te ontkomen ; maar feitelijk verhief zich het noodlot altijd weer achter en boven de Godheid, en diong het toeval van beneden weer in de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna Dii curant, parva negligunt2).

302. Van dien aard is echter het Christelijk geloof aan Gods voorzienigheid niet. Dit is integendeel eene bron van troost en hope, van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps. 23, 33 : lÖv., 44 : 5v., 127:1, 2, 146 : 2v. enz. Het voorzienigheidsgeloof steunt in de Schrift volstrekt niet alleen op Gods openbaring in de natuui, maar veel meer op zijn verbond en toezeggingen; het heeft tot grondslag niet alleen Gods gerechtigheid, maar bovenal ook zijne ontferming en genade; het onderstelt de kennis der zonde, veel dieper dan bij de Heidenen, maar ook de ervaring van Gods \eigevende liefde; het is geen kosmologische speculatie, maar eene heerlijke belijdenis des geloofs. Terecht heeft Ritschl dan ook het voorzienigheidsgeloof weer met het heilsgeloof in nauw verband gebracht. Het geloof aan Gods voorzienigheid is bij den Christen met een artikel der theologia naturalis, waar later het zaligmakend geloof mechanisch aan toegevoegd wordt. Maar het zaligmakend geloof doet ons eerst van ganscher harte aan de voorzienigheid Gods in de wereld gelooven, de beteekenis er van inzien en den troost ervan smaken. Het geloof aan Gods voorzienigheid is dus een artikel van het Christelijk geloof. Voor een natuurlijk mensch zijn er tegen Gods wereldbestuur zooveel bezwaren in te brengen, dat hij er met moeite aan vast houden kan. Maar de Christen heeft de bijzondere voorzienigheid Gods in het kruis van Christus aanschouwd, en in de vergevende en wederbarende genade Gods aan zijn eigen hart ervaren. En van deze nieuwe, zekere ondervinding in zijn eigen leven uit ziet hij nu over zijn gansche bestaan en over heel de wereld heen en ontdekt in alle dingen, niet een toeval of een noodlot, maar de leiding van Gods vaderlijke hand. Toch, al is dit alles volkomen juist door Ritschl ontvouwd, het

') Zeiler, t. a. p. IV 143. 428.

") Cicero, Nat. D. II 167. Verg. Pfanner, Syst. theol. gent. c. 8. Creutzer, hilosophorum veterum loei de provid. divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. ge aus den gr. u. rörn. Klassikern, 1865 fel. 231 v.

Sluiten