Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het woord tiqovoicc ia dezen zin bezigde !). De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14 : 3, 17 : 2, 3 Mk. 4 : 21, 5 : 30, 4 Mk. 9 : 24, 13 :18, 17 : 22, naast óiarrjQsiv, Sap. 11 : 25, (haxv^Qvavr Mk. (j: 2, óioixeiv, Sap. 8: 1 enz. En de kerkvaders namen het over en gaven er burgerrecht aan in de Christelijke theologie 2).

Daarbij onderging het woord echter een niet onbelangrijke wijziging. Oorspronkelijk beteekent voorzienigheid toch het vooruitzien, providentia, of het vooruitkennen, ttqovoicc, van wat in de toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum aliquid videtur 3). Zoo verstaan, was het woord volstrekt niet geschikt, om alles te omvatten wat het Christelijk geloof in de leer van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten van het toekomstige, zou de voorzienigheid Gods toch alleen behooren tot de scientia Dei en in den locus over de deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het Christelijk geloof verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet eene nuda praescientia, doch belijdt, dat alle dingen door God niet alleen te voien geweten, maar ook te voren bepaald en verordend zijn. Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts tot het verstand maar ook tot den wil Gods, en door Damascenus omschreven als ftovkrt mg Otov, ói /> net na ra ovza rrjv Trooaqooov öitSaywy^v Xccupuvsi 4). In dezen zin opgevat, zou de voorzienigheid Gods thuis behooren in de leer van de besluiten Gods en daar te behandelen zijn. Maar wederom belijdt het Christelijk geloof meer, dan door het woord in dezen zin wordt aangeduid. De besluiten Gods worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge daarvan het aanzijn ontvangen, bestaan geen oogenblik van zichzelve, maar ze worden van oogenblik tot oogenblik alleen gedragen door Gods almachtige hand. Ontstaan en bestaan van alle schepselen hebben hun oorsprong, niet in eene voorwetenschap noch ook in een besluit, maar bepaaldelijk in eene almachtige daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer der Schrift en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle dingen van oogenblik tot oogenblik in stand houdt en regeert; niet alleen Fiirsehung maar ook Vorsehung.

Deze verschillende beteekenissen, waarin het woord voorzienigheid

') Zeiler, Philos. d. Gr. II' 929.

2) Suicerus, s. v.

3) Cicero, Inv. II 53.

*) Damascenus, de fide orthod. II 29. Geref. Dogmatiek II.

Sluiten