Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstaan werd, waren echter oorzaak, dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk in de Christelijke dogmatiek telkens wisselden en aan allerlei veranderingen waren onderworpen. Nu eens wordt zij tot de deugden, dan tot de besluiten (opera Dei ad intra), dan tot de opera ad extra gerekend J). Damascenus definieert ze als ») sx xi-fov fic tcc ovtcc yevo/ievrj imfishsicc, en behandelt ze wel na de schepping maar toch in nauw verband met de praescientia en praedestinatio 2). Lombardus bespreekt ze in het hoofdstuk over de praedestinatie, maar vóór de schepping 3). Eene zeer duidelijke' uiteenzetting geeft Thomas; hij omschrijft ze eerst in het algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze voor principalis pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare alia in finem; maar dan zegt hij nader, dat ad providentiae curam duo pertinent, scilicet ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio, et executio ordinis, quae dicitur gubernatio *). Naar deze en andere voorbeelden werd de leer der voorzienigheid in de Roomsche theologie behandeld óf met de praedestinatie bij den wil Gods B), óf alleen als conservatio of gubernatio, afzonderlijk na de schepping 6), óf in heel haar omvang en in haar ruimsten zin na den locus de creatione 7). En evenzoo werd in de theologie der Hervorming de voorzienigheid nu eens opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert 8), dan weer als een werk Gods naar buiten 9). Het verschil betreft natuurlijk meer den naam dan de zaak, gelijk Alsted en Baier terecht opmerken 10). Indien God de wereld werkelijk in stand houdt

') Verg. boven bl. 387 v.

а) Damascenus, de fide orthod. II 29. 30.

3) Lombardus, Sent. I dist. 35.

4) Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1. Verg. Bonaventnra, Sent. I dist. 35 en Hugo Vict., Sent. tr. -1 c. 12.

•) Petavius, de Deo VIII c. 1—5. Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb., 1880 III 175. Perrone, Prael. Theol. II 1838 bl. 233. C. Pesch, Prael. II 158. Mannens, Theol. dogm. II 105 v.

б) Thomas, S. Theol. I qu. 103—105. c. Gent. III 65. Commentatores op Sent. II dist. 37. Heinrich, Dogm. V 279.

') Schwetz, Theol. dogm. I 405. Jansen, Prael. Theol. II 329. Simar, Dogm. 252. Scheeben, Dogm. II 12. Dieringer, Kath. Dogm.4 266 v.

8) Conf. Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425. Maresius, Syst. Theol. IV § 19. Alsted, Theol. schol. 174.

8) Calvijn, Inst. I 16, 3. 4. Polanus, Synt. Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2. Synopsis pur. theol. XI 3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz. 10) Alsted, Theol. schol. 175. Baier, Comp. Theol. I 5, 2.

Sluiten