Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immutabilis naturae ordo sive rerum naturalium concatenatio1). Vanzelf valt daarmede het wonder, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de persoonlijkheid, de vrijheid, het gebed, de zonde, en heel de godsdienst. Het pantheïsme moge in nog zoo schoonen en verleidelijken vorm zich voordoen, het voert feitelijk in de armen van een heidensch noodlot. Er is dan geen ander zijn dan het zijn der natuur; er is geen hoogere kracht, dan die in de wereld werkt naar vaste wet; is er geen ander, beter leven, dan waartoe in deze zienlijke schepping de gegevens aanwezig zijn; een tijd lang mogen de menschen zich vleien met de idealistische hope, dat de wereld door immanente ontwikkeling zichzelve volmaken zal, straks slaat dit optimisme in pessimisme, dit idealisme in materialisme om.

Tegenover dit pantheïsme had de Christelijke theologie het onderscheid van schepping en onderhouding, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de vrijheid der persoonlijkheid, het karakter der zonde, de waarheid der religie te handhaven. En zij deed dit, door het fatum te verwerpen en de belijdenis van Gods voorzienigheid in onderscheiding daarvan duidelijk in het licht te stellen. Het kenmerkende van de leer van het fatum bestaat niet daarin, dat alwat in den tijd is en geschiedt in Gods eeuwigen raad gegrond «n bepaald is, maar het is hierin gelegen, dat alle zijn en geschieden gedetermineerd is door eene met de wereld samenvallende macht, welke zonder bewustzijn en zonder wil alles met blinde noodwendigheid bepaalt. Volgens Cicero was het fatum der Stoa een ordo seriesque causarum, cum causa ex se causam gignit 2). Gewoonlijk werd het dan nog onderscheiden in een fatum mathematicum of astrale, wanneer de gebeurtenissen op aarde gedacht werden door de sterren, en in een fatum physicum, wanneer ze gedacht werden door het natuurverband bepaald te zijn. In den laatsten vorm treedt de leer van het fatum thans bij het pantheïsme en materialisme op; maar opmerkelijk is, dat ook het fatum astrale in den jongsten tijd vernieuwd wordt en warme verdedigers vindt 8). De Christelijke theologie bestreed nu geenszins, dat alles door God eeuwig was gekend en bepaald; in zooverre erkende zij zelfs een fatum en sommigen meenden ook het woord in goeden

') Spinoza, Tract. theol. pol. c. 3, cf. Strausz, Gl. II 384. Schleiermacher, Gl. § 46 en verder boven bl. 430 v.

2) Cicero, de divin. 1. Verg. Seneca, de benef. IV 7. Nat. qu. II 36.

s) Verg. Wet. Bladen 1896 IV 453. De Holl. Revue 25 Sept. 1905.

Sluiten