Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin te kunnen bezigen. Als wij bedenken, zegt Augustinus, datfatum van fari komt, en indien wij daarmede dan aanduiden het eeuwige, onveranderlijke woord, waardoor God alle dingen draagt,, dan is de naam te billijken 1). Boëthius sprak van het fatum alsinhaerens rebus mobilibus dispositio, per quam providentia suis quaeque nectit ordinibus 2). En zelfs Maresius meende met het woord een Christelijken zin te kunnen verbinden 8). Maar gewoonlijk was men voorzichtiger; het geloof aan het noodlot ging toch uit van de gedachte, dat alles geschiedt tengevolge van eene blinde, onweerstaanbare macht zonder bewustzijn en wil, en fatalia werden die gebeurtenissen genoemd, welke praeter Dei et hominum voluntatem cujusdam ordinis necessitate contingunt 4). In dezen zin werd het fatum door alle Christelijke theologen ten stelligste bestreden, door Augustinus en de zijnen niet minder dan door henT die den vrijen wil verdedigden. Omnia vero fato fieri non dicimusr imo nulla fieri fato dicimus 5). De eenige ordinis necessitas op Christelijk standpunt is de wijze, almachtige, liefderijke wil van God. Daarmede werd niet ontkend, gelijk later blijken zal, dat er in de wereld der schepselen een verband van oorzaken en gevolgen is en dat er vaste ordinantiën zijn, maar de natuurorde staat niet achter en boven en evenmin buiten en tegenover Gods wil, maar zij is in dien wil van een almachtig en liefderijk God en Vader gegrond, door dien wil bepaald, aan dien wil dienstbaar; en ze staat ook niet als eene blinde, dwingende macht, buiten en tegenover onzen wil, want ipsae nostrae voluntates in causarum ordine sunt, qui certus est Deo ejusque praescientia continetur 6).

Aan den anderen kant staat het deïsme, dat God en wereld scheidt; de schepselen, nadat ze eenmaal geschapen zijn, geheel of gedeeltelijk en dan weer voor een grooter of kleiner deel laat bestaan en werken door eigene, in de schepping meegekregene

') Augustinus, de civ. Dei V 9.

'-) Boëthius, de cons. philos. IV pros. 6.

3) Maresius, Syst. Theol. bl. 149.

') Augustinus, de civ. Dei V 3.

*) Augustinus, t. a. p.

6) Augustinus t. a. p. en voorts comment. op Sent. I dist. 35. Thomas, S~ Theol. I qu. 116. c. Gent. III 93. Petavius, de Deo VIII 4. Gerhard, Loc. VI 13. Calvijn, Inst. I 16, 8. Beza, Tract. Theol. I 313 v. Alting, Theol. elenct. nova bl. 290. Heidegger, Corp. Theol. VII 2. Turretinus, Theol. El. VI 2. .1/. Vitringa. II 170. 177—181. Bretsrhneider, Syst. Entw. 472 enz.

Sluiten