Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verleden. Maar feitelijk heerscht het ook thans nog in breeden kring, beide in theorie en practijk. Sedert vooral in deze eeuw de kennis der natuur uitgebreid en de vastheid harer ordeningen erkend is, zijn velen geneigd, om de meedoogenlooze, onveranderlijke natuur aan Gods regeering te onttrekken, zelfstandig in zichzelve te laten rusten en de voorzienigheid G-ods tot het religieus-ethisch terrein te beperken. Maar natuurlijk kan dan ook hier de voorzienigheid niet absoluut worden opgevat; zij vindt haargrens in de menschelijke vrijheid 1). G-een wonder, dat bij zulk eene beschouwing de oude leer van den concursus niet meer verstaan en als overbodig of onjuist terzijde gesteld wordt2). Zelfs ligt dan de gevolgtrekking voor de hand, om met de ethische modernen hier te lande de natuurmacht en de zedelijke macht als het ware als twee Goden op manicheesche wijze naast en tegenover elkander te plaatsen, op gevaar af, dat het gebied der laatste, evenals dat der Roodhuiden in Amerika hoe langer zoo meer ingekrompen en ten slotte door de blinde, redelooze macht geheel in beslag genomen wordt 3). Want dat is zeker wel het voornaamste bezwaar tegen het deïsme: door God en wereld, het oneindige en het eindige te scheiden en dualistisch naast elkander te plaatsen, maakt het beide tot twee concurreerende machten, die in voortdurenden strijd gewikkeld zijn en elkander de heerschappij betwisten. "Wat aan God gegeven wordt, wordt aan de wereld ontnomen. Hoe meer Gods voorzienigheid zich uitbreidt, des te meer verliest het schepsel zijnezelfstandigheid en vrijheid, en omgekeerd kan het schepsel zijne zelfwerkzaamheid slechts handhaven als het God terugdringt en Hem de heerschappij ontneemt. Vrede is er dus tusschen beiden alleen bij volledige scheiding. Het deïsme is in den grond irreligieus. Niet in gemeenschap met, maar in scheiding van God ligt de zaligheid van den mensch ; de deïst voelt zich alleen gerust, als hij los van God, d. i. practiscb atheïst is; en omdat hij beseft dit

') Verg. Kreibig, Die Rathsel der göttl. Vorsehung. Berlin 1886. W. Schmidt, I)ie göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt 1887. Id., Christl. Dogm. II 216 v. Beysehlag, Zur Verstftndigung iiber den christl. Vorsehungsglauben. Halle 1888.

z) Rothe, Theol. Ethik § 54. Miiller, Sünde I5 318. Vilmar, Dogm. I 255. Lipsius, Dogm. § 397 v. W. Schmidt, Christl. Dogm. 11 210 v. Van Oosterzee, Dogm. § 59, 5. 7. Verg. ook Philippi, Ivirchl. Dogm. U3 266 en Köstlin, art. Concursus in PRE3 IV 262—267.

3) Verg. deel I 578.

Sluiten