Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit te kunnen zijn, is hij een vreesachtig schepsel, altijd bezorgd, dat hem een stuk van zijn terrein ontnomen zal worden. Vandaar dat er in het deïsme allerlei graden zijn; de grenzen tusschen Gods werkzaamheid en die der wereld worden telkens verschillend getrokken. Er zijn heele, halve, driekwart Pelagianen enz., al naarmate wereld en mensch geheel of voor een grooter of kleiner deel aan Gods bestuur worden onttrokken. Principiëel is het deïsme altijd hetzelfde, het zet God op nonactiviteit, maar de een bewandelt dien weg verder dan de ander. Een deïst is een mensch, die in zijn kort bestaan niet den tijd heeft gevonden atheïst te worden ]). Dat terrein nu, dat door het deïsme aan Gods regeering ontnomen wordt, komt dan te staan onder de macht, hetzij van het noodlot, hetzij van het toeval. Ook in dit opzicht raakt het deïsme telkens met zichzelf in strijd. Vooral tegenwoordig, nu allen zoo diep overtuigd zijn van de vastheid der natuurorde, is daarin voor het toeval geen plaats en valt het deïsme in de handen van het oude noodlot terug; het toeval blijft hoofdzakelijk alleen voor het religieusethische terrein bewaard. Maar de leer van het toeval is niet beter dan die van het noodlot. Fatum kon desnoods nog eene goede beteekenis hebben in de Christelijke levens- en wereldbeschouwing; maar casus en fortuna zijn door en door onchristelijk. Toevallig is iets alleen in der menschen oog, wijl zij op dat oogenblik de oorzaak niet weten. Maar objectief toevallig is er niets en kan er niets zijn. Alles moet eene oorzaak hebben en heeft dien ter laatste instantie in den almachtigen en alwijzen wil van God 2).

304. De voorzienigheid Gods, alzoo van de kennis en het besluit Gods onderscheiden en tegenover het pantheïsme en deïsme gehandhaafd, is naar de schoone verklaring van den Heid. Catechismus die almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijne

') Quark, Port Royal bl. 180.

") Verg. Augustinus, qu. 83 qu. '24 c. Acad. L 1. de ord. 1 2. de civ. V 3, Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 2. qu. 103 art. 5. c. Gent. III 72. Gerhard, Loc. VI 3. Calvijn, Inst. I 16, 2. 9. Chamier, Panstr. Cathol. II 2, 4 v. Turretinusr Theol. El. III qu. 12. Mastricht, Theol. III 10, 30. J. Muller, Sünde II 34 v. Weisse, Philos. 1). I 518. Kirchner, Ueber den Zufall. Halle, Pfeffer 1888. Cr. Rümelin, Ueber den Zufall, Deutsche Rundschau, Miirz 1890 bl. 353—364. Eisler, Worterbuch der philos. Begriffe art. Zufall. K. Dennert, Natuurwet, Toeval, Voorzienigheid. Baarn 1906.

Sluiten