Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dei, ab eis quae creata sunt regendis si aliquando cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura concideret I). En gelijk de voorzienigheid eene kracht en eene daad is, zoo is zij ook eene almachtige en alomtegenwoordige kracht. God is immanent met zijn wezen in alle schepselen tegenwoordig. Zijne voorzienigheid breidt tot alle schepselen zich uit; alles bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten stelligste uit, dat niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid valt. Niet alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1: 11, Col. 1: 17, Hebr. 1 : 3, maar ook zelfs de haren des hoofds, Mt. 10: 30, de muschjes, Mt. 10 : 29, de vogelen des hemels, Mt. 6 : 26, de leliën des velds, Mt. 6 : 28, de jonge raven, Ps. 147 : 9, zijn voorwerp van zijn zorge. Wat is ook klein of groot voor Hem, die alleen groot is? In het wereldverband is het kleine evengoed op zijne plaats als het groote, even onmisbaar en noodzakelijk, en menigmaal nog van rijker beteekenis en van gewichtiger gevolgen 2). De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104, 148 : 1—3, specialis, Ps. 139 : 15v., Job 10 : 9—12, Mt. 12 : 12, Luk. 12: 7, en specialissima, 1 Tim. 4: 10, onderscheiden worden. Maar zij strekt toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel zich uit. Habakuk klaagt er hoofdst. 1:4 wel over, dat God door zijne kastijding de menschen maakt als visschen der zee, die in het net gevangen worden en ia bti?2"isb -K"3, als gewormte, dat geen heerscher heeft, nl. om het te beschermen tegenover zijne vijanden, maar spreekt daarmede in het minst niet uit, dat Gods voorzienigheid niet over deze schepselen gaat. Met meer schijn van recht beroept men zich voor de beperking van Gods voorzienigheid op 1 Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal elders Gods souvereiniteit absoluut opvat, b. v. Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God ook voor de ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat de reden, waarom dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet ligt in de ossen, maar in de menschen. Ook dit woord betreffende de ossen zegt God d' rficeg, vs. 10, cf. Rom. 4: 23, 24, 15 :4, 2 Tim. 3 : 16, opdat wij eruit leeren zouden, dat de arbeider in het Evangelie zijn loon waardig is. Zoo is dan de voorzienigheid eene even groote, almachtige en

') Augustinus, de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas, S. Theol. 1 qu. 104 art. 1 — 4. c. Gent. lü 65 v. Calvijn, Inst. I 16, 4. Lcydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol. 304 enz.

") Verg. Calvijn bij Henry, Leben Calvins II 67.

Sluiten