Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn Goddelijk regiment staat 1). Bij haar aanvang treedt God soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20: 6, 31: 7r vernietigt den raad der goddeloozen, Ps. 33 : 10, schenkt kracht oni in de verzoeking staande te blijven, 1 Cor. 10:13, en houdt in zoover altijd de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door angst en vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze impeditiois lang niet de eenige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en verhindert ze niet. Hij heeft Israël overgegeven in 't goeddunken zijns harten, Ps. 81: 13, liet de Heidenen wandelen in hunne eigene wegen, Hd. 14:16, 17 :30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28; en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam, den moord van Abel, de ongerechtigheid der menschen vóór den zondvloed, Gen. 6:3, den verkoop van Jozef, Gen. 37. de veroordeeling van Jezus enz. Maar deze permissio is zoo weinig negatief, dat de zonde ook in haar allereersten aanvang onder Gods besturende macht en souvereiniteit staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen totzondigen, om den mensch te beproeven en daardoor óf te sterken en te bevestigen óf ook te straffen en te verharden, Gen. 2 : 7r 2 Chr. 32:31, Job 1, Mt. 4:1, 6:13, 1 Cor. 10:13. Ofschoon d& zonde eerst niets anders scheen dan een willekeurige daad van menschen, blijkt het toch later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde naar zijn raad, Gen. 46:8, 2 Ohron. 11:4, Luk. 24 : 26, Hd. 2 : 23, 3 :17, 18, 4 : 28. Zelfs wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective, maar toch materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mensch is het leem, Jer. 18 : 5, Klaagl. 3 : 38, Jes. 45 : 7, 9, 64 : 7, Am. 3:6; Hij verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21, 7:3, 9 : 12, 10 vs. 20, 27, 11:10r 14 : 4, Deut. 2 : 30, Jos. 11: 20, Jes. 6 : 10, 63 : 17, Mt. 13 :13, Mk. 4 : 12, Luk. 8 :10, Joh. 12 : 40, Hd. 28 : 26, Rom. 9 : 18, 11:8; Hij wendt het hart zoo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2 : 25, 1 Kon. 12 : 25, 2 Chron. 25 : 20, Ps. 105 : 24, Ezech. 14 : 9r Hij zendt een boozen geest, een leugengeest, Richt. 9:23, 1 Sam. 16 : 14, 1 Kon. 22 : 23, 2 Chron. 18 : 22, port door Satan David aanr 2 Sam. 24:1, 1 Chr. 21: 1, doet Simei vloeken, 2 Sam. 16: 10r geeft de menschen over aan hunne zonden, laat de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15: 16, Rom. 1: 24, zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2 : 11, stelt Christus tot een val en

l) Clemen, Die christl. Lehre von der Sünde. Göttingen 1897 I 123—151.

Sluiten