Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2 vs. 34, Joh. 3 : 19, 9 : 39, 2 Cor. 2 : 16, 1 Petr. 2 : 8 enz. *).

En niet alleen bij den aanvang maar ook bij den voortgang houdt God de zonde onder zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeelen en gerichten een einde aan, Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24 : 22, 2 Petr. 2 : 9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16 : 9, 21 : 1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen. 45 : 7, 8, 50 : 20, Ps. 51 : 6, Jes. 10 : 5—7, Job 1 : 20, 22, Spr. 16 : 4, Hd. 3 : 13, Rom. 8 : 28, 11 : 36. Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3 : 6, Jes. 45 : 7, Job 2 :10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel, Gen. 2 : 17, en alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en oordeelen komen den menschen toe van Gods almachtige hand, Gen. 3: 14v., Deut. 28: 15v. enz. Reeds onder Israël echter werd de disharmonie opgemerkt, die in dit leven tusschen zonde en straf, heiligheid en zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn en in elk geval slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde, maar in de zonde der menschheid zijn grond, en in het heil der menschheid en in de eere Gods zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18, 27, 2:5, 6, 2 Thess. 1: 2, maar het dient ook ter beproeving en kastijding, Deut. 8 : 6, Job 1:12, Ps. 118 : 8, Spr. 3 : 12, Jer. 10 : 24, 30 :11, Hebr. 12 : 6v., Op. 3:19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119:67, 71, Rom. 5 : 3—5, Hebr. 12 : 10, Jak. 1: 2—4; tot getuigenis voor de

') Verg. boven bl. 352 v. 410 v. en verdere litteratuur over Gods werkzaamheid in betrekking tot de zondige daden van den mensch bij M. Vitringa, Doctr. II 19f> v. 206 v.

Sluiten