Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voudig deze is, om ons te verhalen, hoe de mensch door het eten van den levensboom bewustzijn kreeg van zijne levenskracht, tot geslachtsdrift ontwaakte en uit den kinderlijken staat in dien der volwassenheid overging.

Doch indien dit de kern van het verhaal is, waarom ontving de mensch dan toch het verbod, om te eten van dien boom, die hem juist kracht en leven zou schenken ? Mocht hij niet uit den kinderlijken staat uitgroeien en tot bewustzijn komen van zijn geslachtsleven ? Maar hij had reeds het gebod ontvangen, dat hij zich vermenigvuldigen, de aarde vervullen en onderwerpen moest, 1 : 28 ; hem was reeds eene vrouw toegevoegd, die met hem tot één vleesch zou zijn, 2 : 24; en wat bewijs is er in dit verhaal, of in zijne gansche omgeving, dat het geslachtsleven en het ontwaken daartoe op zichzelf iots zondigs is ? Veeleer klinkt uit heel het Oude Testament de gedachte ons tegen, dat vruchtbaarheid een groote zegen Gods is. Indien Genesis 3 ons de ontwaking der geslachtsdrift wilde verhalen, zou de straf, op de overtreding bedreigd en toegepast, ten eenenmale onbegrijpelijk zijn; waarom bestond die straf in den dood ? waarom trof ze de vrouw vooral in haar moederschap ? waarom werd ze toch nog weer moeder des levens genoemd ? waarom werd ten slotte aan man en vrouw beiden het eten van den levensboom en het verblijf in den hof ontzegd ? "Wie het verhaal onbevangen leest, krijgt een diepen indruk van zijne eenheid ') en van zijne kennelijke bedoeling, om ons niet in te lichten over een vooruitgang en ontwikkeling, maar over een val van den mensch. Het gansche milieu, waarin het voorkomt, bewijst, dat het ons een bericht wil geven van het ontstaan dor zonde. Want vooraf gaat de schepping des menschen door Gods hand en naar zijn beeld, en er volgt in korte trekken eene geschiedenis op van de toenemende goddeloosheid in het menschelijk geslacht tot op den zondvloed toe.

De boom der kennis des goeds en des kwaads heet ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene kennis van goed en kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was, en die hij niet krijgen mocht. De vraag is echter, wat

') Eerclmans, ofschoon interpolaties aannemende, meent toch, dat Gen. 2—3 één verhaal is. Kristensen, Één of twee hoornen in het Paradijsverhaal ? Theol. Tijdschr. Mei 1908 bl. 215—233, is van oordeel, dat twee boomen tot eene zeer oude traditie behooren. Verg. ook J. C. Eykman, De eenheid en beteekenis van het paradijsverhaal, onderzocht met het oog op de meeningen der jongste critiek, Theol. Stud. 1907 bl. 197—237.

Sluiten