Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder die kennis van goed en kwaad te verstaan zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door het eten van den boom eene proefondervindelijke konnis van bet goede en kwade zou krijgen; maar terecbt is daartegen bet bezwaar ingebracht, dat deze kennis van goed en kwaad den menscb Gode gelijk zou maken, gelijk niet alleen de slang in Gen. 3:5, maar ook God zelf in 3:22 zegt, en God tocb geen empirische kennis van het kwade heeft of hebben kan; voorts, dat de mensch door het eten van den boom juist de proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk, dat Gen. 3: 22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf reeds onaannemelijk en met vs. 22 bepaald in strijd is. Anderen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde uit den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben alzoo in den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang van het zedelijke leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds in vroeger tijd sommige Ophieten, die de slang hielden voor een incarnatie van den Logos ^ en later Kant, Schiller, Hegel, Strausz en anderen 2). Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zoozeer in strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijsgegeven. Immers zou ze onderstellen, dat God den mensch in een toestand van kinderlijke, zelfs dierlijke onnoozelheid schiep, en hem daarin steeds wilde laten blijven; maar de kennis, ook de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne schepping geschonken, gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst; en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene gansch andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte. Gen. 3 verhaalt geen „Riesenfortschritt", maar een val van den mensch.

Tegenwoordig wordt dit weder door velen erkend, maar zij verbinden er dan de gedachte mede, dat onder de kennis van goed en kwaad, die de mensch niet verwerven mocht, eene eigenaardige kennis is te verstaan 8). Daarmede kan niet bedoeld zijn de aller-

l) Verg. art. PRE8 XIV 400—404.

s) Kant, Mutmassl. Anfang der Mensclieiigeschichte 1786. Schiller, Ueber die erste Meusehengesellschaft 1790. Hegel, Werke VIII blz. 14 v. IX 390 v. XI 194. Strausz, Gl. II 29. Verg. Bretsclmeider, Syst. Entw. 589.

3) Wellhausen, Gesch. Israels 1878 bi. 344 v. Riitschi, Gesch. u. Kritik der k.

Sluiten