Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste verstandelijke of zedelijke kennis, want het is in strijd met de traditie van alle volken, om zich den eersten mensch voor te stellen als een soort dier, dat van al die kennis nog verstoken was, en ook de auteur van het paradijsverhaal neemt dit standpunt niet in. Want volgens hem zijn de beide eerste menschen volwassen geschapen. Zij zijn geschapen als man en vrouw en in het huwelijk met elkander vereenigd, zij denken en spreken en kennen de dingen, die zich om hen heen bevinden, zij hebben ook een zedelijk bewustzijn en weten, door het ontvangen van het proefgebod, dat gehoorzaamheid aan God het goede is en loon medebrengt, en dat het kwade bestaat in overtreding van zijne wet en door straf wordt gevolgd. Het paradijsverhaal beschrijft den mensch dus volstrekt niet als verstandelijk of zedelijk eene tabula rasa, waarop alles nog van buitenaf moest worden aangebracht, en het kan daarom met de kennis van goed en kwaad ook niet bedoeld hebben het ontwaken tot zelfbewustzijn en rede noch ook het ontstaan van het geweten. Maar onder de kennis van goed en kwaad, welke den mensch verboden wordt, is te verstaan het verstandig worden, 3: 6, het onderscheiden tusschen het nuttige en het schadelijke, Deut. 1: 39, 2 Sam. 19 : 35, 36, Jes. 7 : 16, Jon. 4 :11, het zelfstandig inzicht, om zich zelf te helpen en niet altijd van anderen afhankelijk te zijn, die intellektuelle Welterkenntniss, die metaphysische Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth, ihrem Nut zen oder Schaden für den Menschen, m. a. w. de wijsheid, de kunst der wereldbeheersching, de cultuur, die den mensch van God onafhankelijk en Gode gelijk zou maken.

Dit gevoelen wordt echter door dezelfde bezwaren gedrukt als dat aangaande den vooruitgang, dien de mensch in zijn val zou hebben gemaakt, en brengt er eigenlijk ook slechts eene kleine wijziging in aan; naar beide voorstellingen beschrijft het paradijsverhaal den overgang des menschen uit een staat van landelijken eenvoud tot dien van eene wereldbeheerschende cultuur. Terwijl de voorstanders van het eerste gevoelen daarin echter, van hun standpunt uit, een vooruitgang zien, leggen de anderen er meer nadruk op, dat deze overgang, naar het standpunt van den auteur, een achteruitgang

Lehre von der urspr. Vollkommenheit. Leiden 1881 bl. 8. Smend, Altt. Religionsgesch. 1893 bl. 120. Marti, Gesch. der israel. Religion8 1897 bl. 197. Clemen, Die Chr. Lelire v. d. Sünde I 151 v.

Sluiten