Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gil 60ii V3/1 was. Doch. zij gövon d&cirniGdo dö göda-clitö van liet paradijsverhaal onjuist weer. Cultuur op zichzelve is volstrekt niet iets zondigs of verkeerds. In Gen. 1:28 wordt de heerschappij over de aarde aan den naar Gods beeld geschapen mensch tot taak gesteld, verg. 9:1, 2; in Gen. 2 :15 en 19 moet hij den hof behouwen en bewaren en den dieren namen geven, veig. 3.23, in Gen. 3:21 wordt de bereiding van kleederen voor Adam en Eva aan God zeiven toegekend; in Gen. 4: 17, 21—22 wordt het bouwen van eene stad, het bewonen van tenten, het houden van vee, het maken van allerlei muziek-instrumenten en het bewerken van metalen wel in zijn oorsprong aan Kaïns geslacht toegeschreven, maar met geen enkel woord afgekeurd; en in het algemeen kent het Oude Testament aan de wijsheid zulk eene hooge plaats toe, dat er van geene veroordeeling sprake kan wezen. Te mindei, omdat, ook naar de voorstanders van bovengenoemd gevoelen, het eerste menschenpaar vóór den val eene verstandelijke en zedelijke kennis bezat, die van de wijsheid, hoogstens in graad, maar niet in wezen verschillen kan.

De kennis van goed en kwaad, welke den mensch verboden wordt, moet dus nog iets anders beteekenen, en Marti wijst ons tot de juiste opvatting den weg, als hij haar omschrijft als de kunst, om op eigen voeten te staan en zelf den weg te vinden, en spreekt van de begeerte van den mensch, om zich door haar van God te emancipeeren. Het komt n.1. in Gen. 3 niet allereerst op den inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid zich toeeigenen zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier bedoeld, daardoor omschreven, dat de mensch er door aan God gelijk zou worden, Gen. 3:5, 22. Door het gebod Gods te overtreden en van den boom te eten, zou hij in dien zin zich Gode gelijk maken, dat hij zich buiten en boven de wet stelde en, evenals God, zelf beoordeelen en uitmaken zou, wat goed en wat kwaad was. De kennis van goed en kwaad beteekent niet de kennis van het nuttige en schadelijke, van wereld en wereldbeheersching, maar evenals ook in 2 Sam. 19 : 36, Jes. 7 :16 de bevoegdheid en geschiktheid, om zelfstandig goed en kwaad te onderscheiden. Het gaat in Gen. inderdaad om de vraag, of de mensch in afhankelijkheid van God, zich zal willen ontwikkelen, of hij in onderwerping aan zijn gebod de wereld zal willen beheerschen en de zaligheid zoeken; dan wel of hij, Gods gebod overtredende, en aan zijn gezag en wet zich onttrekkende,

Sluiten