Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het spreken der slang heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit~verhaal eene allegorie was, of dat althans de slang geen werkeftjlc cïlêr was, maar een naam en beeld voor de begeerlijkheid 1), of voor den geslachtslust 2j, of voor de dwalende rede 3), of ook voor Satan 4). Maar deze verklaring is niet aannemelijk; de slang wordt in Gen. 3 : 1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14, 15 onderstelt eene werkelijke slang, en in 2 Cor. 3 : 11 is Paulus van dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorloopende leer der Schrift in strijd; bovendien loopen de mythische verklaringen onderling ook zeer ver uiteen 6). Het spreken der slang is daarom op eene andere wijze te verklaren; echter niet met Josephus 6), uit de meening van den verhal er, dat de dieren vóór den val de gave der taal hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch wezenlijk van de dieren onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geene hulpe vond; maar ongetwijfeld uit de inwerking eoner geestelijke, b o v e n a ar d s ch e macht. Van welken aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat Gen. 3 niets anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap tusschen mensch en dier. Maar behalve dat deze verklaring om hare platheid niet bevredigt, is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mensch en dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als eene verleidende macht tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen thans weer tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat deze in de aprocriefe litteratuur des O. T. gehuldigd wordt7).

') Philo, de mundi opif. § 56. Clcmens Alex., Strom. III 14, 17. Origenes, do princ. IV 16. Verg. ook Augustinus, de civ. Dei XIII 21.

2) Schopenhaiier, Die Welt als Wille und Vorstellung6 II 651, 666.

3) Bunsen, in zijn Bibehverk.

') Zoo Cajetanus, Eugubinus, Junius, Rivetus, Amyraldus, Vitringa, vader en zoon, Venema en anderen. Verg. Marck, Hist. Paradigi III 5, 5. M. Vitringa, Doctr. II 256, ook J. P. Val d'Eremas, The serpent of Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various interpretations. London 1888.

5) Hengstenberg, Christologie des A. T. I3 5. Köliler, Bibl. Gesch. I 6. Delitzsch, op Gen. 3 :1.

°) Joseplius, Antiq. I 1, 4.

7) Clemen, t. a. p. bl. 158 v.

Sluiten