Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3 van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag maakt. Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring de diepte deiduisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt de zonde in haar wezen en macht eerst in den loop der geschiedenis bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde richting en leidt tot eene gansch tegengestelde uitkomst. Daaruit is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament, betrekkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31:33, Ps. 90:3, Spr. 3:18, 13.12, Pred. 12:7, Jes. 43:27, 51:3, 65:25, Joël 2:3, Hos. 6 : 7, Ezech. 28 : 13—15, Joh. 8 : 44, Rom. 5 :12v., 8 : 20, 1 Cor. 15: 21v., 42, 2. Cor. 11:3, 1 Tim. 2 :14, Openb. 2:7, 22 :2, on deze zijn voor een deel twijfelachtig van uitlegging of bevatten niet meer dan eene zinspeling >). Toch kan dit betrekkelijke stilzwijgen niet daaruit worden verklaard, dat het verhaal in Genesis 3 eeist zeer laat is ontstaan, want ook volgens de nieuwere critiek behoort het tot den Jahvist en bestond het, voordat in de achtste eeuw de schriftprofeten optraden, en schier alle volken zijn in het bezit van oude traditiën over een gouden eeuw, waarin de menschheid eerst heeft geleefd. Men bedenke echter, dat de val, al wordt hij weinig vermeld, toch aan do gansche leer der Schrift over de zedelijke volmaaktheid, als behoorende tot het wezen van den mensch, over de zonde en over de verlossing ten grondslag ligt; dat de openbaring in het Oude Testament een profetisch karakter droeg en niet terug-, maar vooruitzag, en dat de tweede Adam eerst de volle beteekenis van den eersten Adam in het licht stellen kon 3). Paulus ziet van den tweeden mensch op den eersten mensch terug. Allengs wordt in de geschiedenis der openbaring de geestelijke macht bekend, die achter de verschijning en verleiding der slang zich verbergt. Dan wordt onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde ook een strijd der geesten

') Voor aanhalingen in de apocriefe litteratuur zie men Clemen t. a. p. bl 169 v. 173.

*) Verg. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde u. v. Tode. Hamburg 1836 bl. 83—100. Hofmann, Schriftbeweis I 364 v. ICurtz, Gesch. d. A. Bundes I' 1853 bl. 69. Tennant, The origin and propagation of sin" 1906 bl. 142 v. 227 v. Orr, Gods Image in man 199. Gerretsen, De val des menschen bl. 11, 14 v.

Sluiten