Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een feit; een feit is een stuk werkelijkheid, dat nooit ongedaan is te maken, en naarmate het gewichtiger was, ook te rijker in gevolgen is; maar voor de kennis van een feit, vooral wanneer het niet tot het heden, maar tot het verleden behoort, zijn wij afhankelijk van een getuigenis, in welken vorm dit ook gegeven zij. Hierop berust voor een deel het onderscheid tusschen natuur- en geschiedwetenschap; de natuur blijft dezelfde en hare verschijnselen kunnen door eiken geleerde weer zelfstandig en nieuw worden onderzocht, maar de beoefenaar der geschiedwetenschap woont de gebeurtenissen zelve niet bij, maar is voor hare kennis van getuigenissen afhankelijk. Zeer dwaas zou hij handelen, wanneer hij aldus redeneerde: al de gebeurtenissen, die hebben plaats gehad, zijn bestanddeelen der werkelijkheid, en werken, naarmate zij gewichtiger zijn geweest, in het heden door; desnoods kan ik de getuigenissen missen, want uit de gegevens in het heden kan ik terugbesluiten tot deze of die gebeurtenis in het verleden. Toch zou hij in het wezen der zaak niet anders handelen dan zij, die het feit van den val, buiten het historisch getuigenis der Schrift om, willen bouwen op gegevens der ervaring. Er moge verschil zijn in graad, omdat de val des menschen alle andere wereldgebeurtenissen in beteekenis en gevolgen zeer verre overtreft, maar de redeneering blijft er zakelijk dezelfde om en is in beide gevallen ongerijmd.

Bij deze redeneering wordt echter ook nog vergeten, dat men vooraf het getuigenis der Schrift heeft gekend en bij bet licht van dat getuigenis de werkelijkheid heeft leeren bezien. Men zegt wel, den val te kunnen opbouwen uit de gegevens der ervaring zonder de hulp van Gen. 8 en Rom. 5 ; maar feitelijk heeft men in die gegevens der ervaring het getuigenis der Schrift reeds opgenomen. Duizenden en millioenen hebben dezelfde werkelijkheid waargenomen, gelijk zij zich nog aan ons laat zien, maar zij zijn er nooit door op de gedachte gekomen van een val van het eerste menschenpaar, maar hebben haar trachten te verklaren door een voorwereldlijken val of door een boozen god of door een blind noodlot. Dat wij de werkelijkheid zóó zien, dat zij overal de gevolgen van een val in het paradijs vertoont, dat danken wij uitsluitend aan het licht, dat de H. Schrift over haar heeft laten opgaan; en het is niet edel gehandeld, nadat men eerst van haar dienst gebruik heeft gemaakt, haar vervolgens het afscheid te geven en een schijn aan te nemen, alsof men het zelf door eigen redeneering zoover heeft gebracht.

Eindelijk, wanneer men werkelijk in vollen ernst aan een val

Sluiten