Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den eersten mensch gelooft, (zij het ook, naar men meent, op grond van ervaringsdata), dan vervalt eigenlijk alle reden, om het historisch karakter van Gen. 3 in twijfel te trekken. Want het hoofdbezwaar der critiek (zoowel van de Oudtestamentici als van de evolutionisten) is niet tegen het litterair bericht in Genesis, maar tegen de daarin vermelde gebeurtenis gericht. Deze gebeurtenis is van zoo groot gewicht, dat het gansche Christendom er mede staat en valt. Toute la foi consiste en Jésus-Christ et en Adam, et toute la morale en la concupiscence et en la grace (Pascal). De twee waarheden, resp. de twee feiten, waardoor de geheele Christelijke dogmatiek wordt beheerscht, zijn eenerzijds de val van Adam, anderzijds de opstanding van Christus (Gerretsen). Wanneer men dit erkent en Adams val voor eene ontzettende werkelijkheid houdt, komt men met de hedendaagsche critiek in haar beide aanvallen toch op gespannen voet te staan en vordert men met eenige litteraire concessiën niets. De evolutieleer, gelijk zij tegenwoordig meestal voorgedragen en op de geschiedenis der menschheid en van Israël toegepast wordt, laat voor een status integritatis en voor een val van den eersten mensch geene ruimte over; er heeft volgens haar zelfs geen eerste mensch bestaan, want de overgangen zijn zoo klein geweest en hebben zich over zulk eene reeks van eeuwen uitgebreid, dat niemand zeggen kan, waar het dier ophoudt en de mensch begint. Zijne aanvangen liggen in het duister, en zijn toestand was oorspronkelijk aan die van het dier gelijk.

Hoezeer deze evolutieleer nu op feiten beweert te rusten, men houde toch het volgende in het oog: 1° de onderzoekingen naar den praehistorischen mensch hebben wel aan het licht gebracht, dat hij in zeer primitieve toestanden heeft geleefd, maar hoegenaamd niet, dat hij langzamerhand uit het dier is voortgekomen en nog altijd in eene periode van overgang verkeert. Veeleer is de gedachte bevestigd, dat hij een mensch was van gelijke bewegingen als wij, en dat hij in Europa uit Azië afkomstig is. 2" De ontdekkingen, die in de laatste eeuw in het land van Babel en Assur hebben plaats gehad, stellen ons in kennis van het feit, dat de oudste bewoners, die wij daar leeren kennen, met een onbeschaafd, ruw, half dierlijk ras zijn geweest, maar op een hoogen trap van beschaving hebben gestaan, en in hunne verdere geschiedenis eer achter-, dan vooruit zijn gegaan. 3° De „Urgeschichte", welke in Genesis 1—10 is vervat, heeft daardoor een sterken steun gekregen. Zij is eenerzijds in hare eigenaardigheid, in hare wonderbare zuiver-

Sluiten