Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht, kunnen bij nader onderzoek daarvoor niet in aanmerking komen, of zijn nog te onzeker van uitlegging, dan dat er iets op gebouwd kan worden x). Tocb. is het opmerkelijk, dat in eene Babylonische mythe Adapa het eeuwige leven verliest, door eene voorgezette spijze en drank niet te gebruiken; dat de slang in vele godsdiensten als eene incorporatie van vijandige of weldadige krachten wordt vereerd; dat een wijdverbreid volksgeloof verband legt tusschen verschillende boomen, vooral den levensboom, en het lot van den mensch; dat in vele sagen de herinnering aan eene gouden eeuw van het mensclielijk geslacht is bewaard ; en dat volgens het Avesta, het heilig boek van den Perzischen godsdienst, de eerste mensch Yima, de edele heerscher in het gouden tijdperk, een tijd lang in het paradijs heeft gewoond, maar door hoogmoed gevallen, daaruit verdreven en ten slotte door een boozen geest ter dood is gebracht2). Al deze en dergelijke verhalen hebben geene hoogere beteekenis, dan dat zij toonen, dat de menschheid zich van ouds en overal rekenschap heeft willen geven van de groote verwoesting, die de wereld te aanschouwen gaf, door er het gevolg in te zien van een val, die met den mensch heeft plaats gehad. Maar zoo zijn ze toch van waarde; het geloof aan eene goddelijke afkomst en bestemming van den mensch, aan een gouden eeuw en een later ingetreden verval, aan den strijd van goed en kwaad, aan den toorn en de verzoening der Godheid ligt, min of meer duidelijk uitgesproken of zelfs onbewust, aan de godsdienstige en zedelijke overtuigingen der menschheid ten grondslag 3).

Maar tegelijk stellen zij in het licht, hoe de Heidenen wel tastende gezocht, doch niet gevonden hebben. Oorsprong en wezen der zonde zijn hun beide onbekend gebleven. Zelfs de Joden, die den val en de verleiding door Satan, Wijsh. 2 :24, erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang noemden, leerden soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva was geschapen, dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val naast den arj" issi een snü 'naf, eene neiging ten kwade ontving, om deze te overwinnen en alzoo zijne werken

') H. H. Kuyper, Evolutie of Revelatie 1903 bl. 37. 112—114.

2) Verg. art. Fall in Hastings, Dictionary of the Bible I 839.

3) Zie verder mijne Wijsbeg. van de Openbaring bl. 159 en de litteratuur, deel II 567 genoemd, waarbij nog gevoegd kan worden: Lamennais, Essai sur 1'indifférence en niatière de religion, 9e ed. 1835, die in deel II den val nagaat in de traditie der volken, en A. M. Weisz, Apol. des Christ. II 73—99, 152—158.

Geref. Dogmatiek III. 2

Sluiten