Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezer beschouwing wel in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te beheerschen; de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot eene geheel andere leer over den oorsprong van de zonde en zocht dezen in een val der praeëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch den vrijen wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het uitwendig lot moge bepaald zijn, de deugd is aósdnorog en hangt alleen aan den wil des menschen, êy rtfiiv óe xai r agsTij, ófioioog ós xai r4 xaxta 1). De Stoa kon op haar pantheïstisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde niet zoeken in den wil van den mensch, en trachtte daarom het physische en moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel. Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om de menschelijke natuur vrij van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en rampen, en is in zooverre iets goeds, als zij het goede dient en dit tot openbaring brengt2). Toch wist ook de Stoa geen anderen weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan des menschen wil3). En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca, Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene daad was van den wil en ook door den wil weer kon te niet gedaan worden 4). Buiten het gebied der bijzondere openbaring werd de zonde daarom altijd of deïstisch uit 's menschen wil verklaard en als louter eene wilsdaad opgevat, of op pantheïstische wijze uit het wezen der dingen afgeleid en als een noodzakelijk bestanddeel opgenomen in de orde van het wereldgeheel.

310. Beide opvattingen drongen ook in de Christenheid door en vonden telkens in kleinere of grootere kringen instemming en verdediging. Het practische Christendom reeds, dat na den dood der apostelen in de gemeenten heerschte en uit de zoogenaamde apostolische vaders en andere geschriften ons kenbaar wordt, bevatte allerlei religieuze en ethische voorstellingen, welke van het Nieuwe Testament, vooral van Paulus, afwijken en onder den invloed van Joodsche vroomheid en populaire Heidensche philosophie, inzonderheid van Cicero, gevormd waren. De geloovigen waren wel overtuigd,

') Zeiler, 3e A-. II 852 III 588. a) Ib., IV 175 v.

a) Ib., bl. 167 v.

*) Ib., bl. 667—717, 722. V 585.

Sluiten