Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij in Christus groote weldaden ontvangen hadden, vooral de vergeving voor alle verledene zonden in den doop; maar als zij daarna zich geroepen achtten tot een heilig leven, ruimden zij aan vrijen wil, eigen kracht en verdienstelijkheid der goede werken reeds eene breede plaats in 1). Toen Pelagius in het begin der vijfde eeuw zijne leer voordroeg, kon hij zich op tal van uitspraken beroepen, die vóór hem uit anderer pen waren gevloeid. Maar hij isoleerde ze toch uit het milieu, waarin zij voorkwamen, en bond ze op zulk eene wijze tot een gebeel samen, dat zij met de Christelijke leer van zonde en genade in principiëelen strijd geraakten.

Voor dezen uit Brittannië afkomstigen monnik was alles gelegen aan den vrijen wil van den mensch. Daarin zag hij het kenmerkende van 's menschen natuur, het beeld Gods, het beginsel en den grondslag der hem geschonken heerschappij. De menschelijke natuur is zoo door God geschapen, dat zij, al naar zij wil, kan en niet kan zondigen; en deze possibilitas utriusque partis is, als bonum naturae, als bestanddeel van de menschelijke natuur, onverliesbaar. Dientengevolge moest Pelagius alle erfzonde loochenen; Adam bracht alleen exemplo vel forma de zonde in do wereld; er is eene macht der mala consuetudo, maar deze beheerscht den mensch toch niet zoo, of hij kan, indien hij ernstig wil, de zonde vermijden en een heilig leven leiden. In elk geval, de zonde is niet aangeboren, zij is altijd en kan niets anders zijn dan eene vrije wilsdaad. De val heeft daarom niet eenmaal, bij Adam, plaats gehad en het gansche menschelijk geslacht meegesleept; maar ieder mensch wordt nog geboren in dienzelfden toestand, waarin Adam zich bevond, al zijn de omstandigheden door de macht der gewoonte ook ongunstiger ; en ieder mensch staat en valt dus voor zichzelven. De zonde ontstaat in elk mensch opnieuw; er heeft een val in ieder menschelijk leven plaats, wanneer de kracht van den vrijen wil ongebruikt wordt gelaten of in eene verkeerde richting aangewend wordt2).

Deze gedachten van Pelagius waren zoo kennelijk met de leer der Schrift en het geloof der gemeente in strijd, dat zij onmogelijk door de kerk aanvaard konden worden. Zij zijn dan ook op allerlei wijze gewijzigd en verzacht; bepaaldelijk werd aan de overtreding

') Loofs, Leitfaden zum Studium der Dogmengesch.4 190G bladz. 85 v. 2) Loofs, t. a. p. 418 v. B. Tl. Warfield, Two Studies in the History of doctrine. New York 1897. De eerste handelt over: Augustine and the Pelagian Controversy.

Sluiten