Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Adam een sterkere invloed op den toestand der menschelijko natuur, en dienovereenkomstig bij den aanvang en bij den voortgang van het nieuwe, Christelijke leven eene krachtiger medewerking aan de genade toegekend. Maar principiëel wordt de eindbeslissing op al deze punten toch weer in den vrijen wil gelegd. Bij Rome heeft Adams overtreding wel het verlies van het donum superadditum voor zich en voor zijne nakomelingen ten gevolge gehad; en inzoover God deze gave aan den mensch geschonken had en hij ze dus behoorde te hebben, is het verlies ervan ook schuld te noemen. Maar de erfzonde gaat toch in deze privatio op; ze bestaat niet in de concupiscentia, welke op zichzelve geene zonde is, noch ook in eene aangeborene boosheid van den wil, want de wil moge verzwakt zijn, hij is niet verloren noch verdorven. De natura lapsa is dus eigenlijk geheel gelijk aan de natura pura; supernaturalia amissa, naturalia adhuc integra; in het afgetrokkene zou het dus niet onmogelijk zijn, dat een mensch zich van alle actueele zonden onthield en, evenals vroegstervende ongedoopte kinderen, eene natuurlijke zaligheid verwierf 1). Rome kon daarbij echter de absolute noodzakelijkheid van het Christendom nog altijd vasthouden, wijl de mensch, al zou hij in een hoogst gunstig geval ook de natuurlijke zaligheid kunnen verwerven, toch nooit door zijn vrijen wil de bovennatuurlijke gerechtigheid en zaligheid deelachtig worden kan; hiertoe is de kerk met hare sacramenten de eenig aangewezen weg. Maar toen dit Roomsche dualisme door de Reformatie verworpen was, moesten richtingen, die binnen den kring van het Protestantisme de Roomsche onderstellingen over erfzonde en vrijen wil overnamen, wel vanzelf terugvallen in de oude dwalingen van Pelagius en Coelestius, of in elk geval in die van Hilarius van Arles en Johannes Cassianus; want als Adams val aan den wil niet of ten minste slechts voor een deel de vrijheid en de macht ten goede ontnomen had en de erfzonde ook niet bestond in een schuldig verlies van eene oorspronkelijke bovennatuurlijke gave, dan werd in verband daarmede ook in diezelfde mate de genade ontbeerlijk en het Christendom van zijn absoluut karakter beroofd.

'). Conc. Trid. V 2-5 VI 1.

-) Fock, Der Socin. 484 v. 653 v,

3) Episcopius, Inst. Theol. IV 3 c. 6. IV 5 c. 1, 2, Limborch, Theol. Christ. II 24 III 2 v. Verg. ook Can. Dordr. III IV: Verwerping der dwalingen. *) Wegscheider, Inst. § 99—112. Bretschneider, Dogm. II 17 v.

Sluiten