Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de zonde zijn standpunt in het Christelijk geloof. Natuurlijk is dit op zich zelf te prijzen, want oorsprong en wezen der zonde zijn ons eerst uit de openbaring bekend en daarom ook voorwerp van het Christelijk geloof. Maar Ritsehl leidt er de valsche gevolgtrekking uit af, dat de zonde ons daarom niet uit Adam en zijn val, niet uit de wet en het Oude Testament, maar alleen uit het Evangelie, dat wil dan bij hem zeggen, door den persoon en het onderwijs van Jezus bekend is geworden. De zonde, zoo zegt hij, moet opgevat worden van het standpunt der verzoende gemeente, het Evangelie der zondenvergeving is Erkenntnisgrund van onze zondigheid ; ofschoon de zonde ook buiten het Christendom bestaat en bekend is, is haar aard en natuur toch eerst door het Evangelie ons geopenbaard ; om ze te kennen, gelijk zij is, moeten wij ze meten aan het goede, dat tegen haar over staat, n.1. het rijk Gods. Christus, die ons de bestemming van den mensch leerde kennen, licht ons ook over de natuur der zonde in. Dit standpunt brengt nu mede, dat Ritsehl aan de leer van den status integritatis geene waarde hecht. Genesis leert daar niets van ; zulk een hoog zedelijke toestand is in den aanvang der geschiedenis ondenkbaar; indien hij bestaan had, zou Christus eene onregelmatige verschijning in de geschiedenis zijn geweest, een dubbelganger, niets anders dan een drager van de Goddelijke tegenwerking van de zonde; maar Christus was veel meer, Hij bracht ons het hoogste levensideaal, dat daarom door de orthodoxe dogmatiek veel te vroeg, n. 1. reeds bij Adam, wordt geplaatst.

De overtreding van Adam kan dus niet de oorsprong der zonde in het menschelijk geslacht zijn geweest; misschien was zij de eerste van eene reeks van overtredingen, die haar gevolgd zijn, maar beginsel en oorsprong is zij niet. Is de zonde dan in de natuur des menschen gegrond? Ritsehl ontkent dit ten sterkste; zonde is zonde, ze heeft haar oorzaak niet in God, ze is geen doelmatig element in zijne wereldorde, zij is immers het tegendeel van het goede en wordt door ons als schuld gevoeld. Maar bij de verklaring van den oorsprong der zonde kan Ritsehl noch met Augustinus noch met Pelagius medegaan. De eerste maakte de menschheid, de monschelijke natuur, tot subject der zonde; maar dan is ieder mensch in de erfzonde reeds den hoogsten graad der zonde deelachtig en komen de dadelijke zonden haast niet meer in aanmerking; immers dooide erfzonde alleen is de menschheid reeds eene massa perdita, die de eeuwige straf waardig is. Dit kan echter niet waar zijn, want

Sluiten