Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulk eene leer leidt niet alleen tot onwaarheid en maakt alle opvoeding onmogelijk, maar de actueele zonden zijn volgens ieders bewustzijn ook iets anders en meer dan phaenomena en accidentia van de erfzonde. Toch is ook de beschouwing van Pelagius, volgens wien niet de menschelijke natuur, maar de wil van den enkele subject der zonde is, onhoudbaar, want de zonde is inderdaad iets gemeenschappelijks. Ritsehl tracht beiden daarom te vereenigen, en hij meent dit te bereiken, door te zeggen, dat subject van de zonde inderdaad de menschheid is, maar deze, beschouwd als de som van alle individuën.

Hij stemt dus met Pelagius in, in zoover hij met hem, niet den zondigen toestand aan de daad, maar de daad aan den toestand laat vooratgaan; alle zonde vindt haar grond in de zelfbepaling van ieders persoonlijken wil. En nu is de zonde, onder de gegeven omstandigheden en vooral ook tengevolge van 's menschen onwetendheid, wel een „scheinbar unvermeidliches Zeugnis" van zijn wil, maar toch kan de mogelijkheid eener zondelooze levensontwikkeling apriori niet worden ontkend. Zoover gaat Ritsehl met Pelagius mede, maar hij tracht daarna Augustinus te naderen, door in de zonden eene eenheid te zien, die niet krachtens haar oorsprong uit één principe, maar door onderlingo inwerking en verbinding tot stand komt. De zonde begint met eene wilsdaad, maar elke daad werkt op den wil terug, geeft er een natuur en karakter aan, doet er eene zelfzuchtige neiging in ontstaan en werkt zoo mede aan de heerschappij van de wet der zonde. En dat niet alleen, maar de zondige daden en neigingen der menschen hebben onderling op elkander weer invloed; gelijk eene zondige omgeving ons aan de zonde gewend maakt en ons zedelijk oordeel verstompt, zoo roepen onze eigene zondige daden die van anderen te voorschijn' In één woord, er is geene erfzonde, maar er ontstaat uit de zondige daden van alle menschen saam wel eene collectieve eenheid, een rijk der zonde x).

Maai ook na Ritsehl is de leer van Pelagius over den oorsprong der zonde in bescherming genomen en op eene eigenaardige wijze met de theorie der evolutie in verband gebracht. Als deze evolutie zuiver en consequent in materialistisch-mechanischen zin wordt

') Ritsehl, Eechtf. v. Vers.2 II 241-246 III 304-357. Kaf tan, Wesen der Chnstl. Rel. 1881 bl. 246 v. Dogmatik § 34. 38-40. Nitzscli, £v. Dogm. 319 v. Sicbeck, Roligionsphilos. 436 v. Haring, Chr. Glaube bl.- 306—307,

Sluiten