Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstaan, blijft er voor een eigenaardig zedelijk leven, voor zonde en deugd geen plaats over; zoogenaamde goede en kwade handelingen zijn dan chemische producten in denzelfden zin als vitriool en suiker, alleen wat verder en fijner gedistilleerd. Maar de natuur is gewoonlijk sterker dan de leer, en ook de voorstanders eener meckanischè evolutie blijven spreken van goed en kwaad, van zede wet en plicht, van de cultuur van het ware, goede en schoone. Het materialistisch atheïsme heeft de laatste jaren bovendien aan crediet verloren; sedert de wedergeboorte der philosophie en de herleving der metaphysica spannen velen zich in, om de mechanische evolutie tot de materiëele wereld te beperken en aan een teleologisch, ethisch idealisme dienstbaar te maken; de wereld is naar het woord van Carlyle toch iets meer dan oen keuken en een koestal, zij is ook een orakel en een tempel. Zoo aanvaardt men ten volle de dierlijke afstamming van den mensch en heeft er geen bezwaar in, om zijn primitieven toestand zoo laag mogelijk te denken ; men kan zich den oermensch „gar nicht dumm, schlecht, roh, egoïstisch, gemein oder sonst tadelhaft genug im Sinne der gegenwartigen Ethik vorstellen" 1). In dezen toestand is er natuurlijk nog geene sprake van goed en kwaad, recht en onrecht, godsdienst en zedelijkheid; de mensch is nog aan het dier gelijk, een slaaf van zijne lusten en hartstochten. Maar met het oog op wat hij later geworden is, moet de primitieve mensch toch in aanleg van het dier onderscheiden zijn geweest. Het is moeilijk te zeggen, waarin die aanleg bestond, of hij van huis uit in den mensch aanwezig was dan wel langzamerhand van buiten af in hem is aangebracht; of do mensch door eene sprong-variatie of door langzame, kleine mutatiën uit het dier is ontstaan. Genoeg zij het, dat de primitieve mensch iets anders en hoogers kón worden dan hij toen nog was, want hij is feitelijk iets anders en iets hoogers geworden.

Toen de primitieve mensch eenmaal op de baan der menschwording was geplaatst, ging hij met groote schreden vooruit; en bij die verdere ontwikkeling had hij ontzaglijk veel de danken aan den invloed der maatschappij. Reeds het dier leeft in gezelschap van andere en heeft zich daardoor allerlei verstandelijke en zedelijke eigenschappen verworven. Maar bij de vorming van den mensch krijgt de maatschappij nog veel rijker beteekenis ; het kind

') W. Ostwalcl, Energetische Grundlagen der Kulturwissenschaft. Leipzig 1909 bi. 120.

Sluiten