Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter der zedewet, het onstaan en het abnormale wezen deizonde niet handhaven. Indien zij dit alles echter niet prijsgeven wil, moet zij in dezelfde mate de eerst aangenomen evolutieleer weer laten varen. Bij Tennant komt dit zeer sterk daarin uit, dat hij aan den door langzame ontwikkeling uit het dier ontstanen mensch toch weer, in zeer indeterministischen zin, een vrijen wil toeschrijft'), die de macht heeft, om tusschen de egoïstische en altruïstische neigingen eene keuze te doen. Maar hij zegt met geen enkel woord, hoe er voor zulk een vrijen wil in het proces der evolutie plaats is. In nog grooter moeilijkheid, ten derde, wikkelt hij zich bij de vraag, hoe die wil staat tegenover de aangeboren dierlijke neigingen. Volgens Tennant heeft de vrije wil zich bij den primitieven mensch reeds ontwikkeld vóór de ontwaking van het zedelijk bewustzijn; de mensch was dus geruimen tijd reeds een verstandelijk en willend wezen, voordat hij een zedelijk wezen werd en leefde in dien tijd zonder wet, zonder zonde, zonder deugd 2); eene conceptie van den mensch, die volkomen onmogelijk is en in raadselachtigheid voor die van den homo naturalis niet onderdoet. Langzamerhand ontstaat in den mensch echter ook een zedelijk bewustzijn, een gevoel van verantwoordelijkheid, een besef van plicht, eene beschuldigende of ontschuldigende conscientie, en in verband met dit alles ook een zedelijke wil. Daargelaten nu de tot dusver altijd onvoldoende beantwoorde vraag, hoe dit hoogere, redelijke en zedelijke leven vanzelf, door evolutie, van buiten af iu den mensch kon ontstaan; welke natuur en welke kracht komt aan den wil toe, die alzoo in den mensch gevormd is ? De aangeboren, dierlijke neigingen en lusten zijn volgens Tennant niet zondig, ze zijn alleen een „raw material for the production of sin," doch evengoed een „raw material" voor het doen van het goede ; ze zijn eenvoudig non-moral, natural, necessary, neutral, indifferent material waiting to be moralised ; they may be turned to bad or they may be turned to good ; our virtues and vices, in fact, have common roots." De wil schijnt er dus buiten en tegenover te staan, zonder eenige „bias to evil" 3).

Zulk een wil, die hoegenaamd niet wortelt in de menschelijke natuur, maar er buiten staat en er hoog boven in de lucht hangt, is echter psychologisch ondenkbaar en aan heel wat meer bezwaren onderhevig

') Tennant, t. a. p. bl. 121 v.

2) ib., XXII.

3) ib., XVII. XXII 84. 95. 101. 102.

Sluiten