Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan de schepping van den mensch in een volwassen toestand en in eene oorspronkelijke gerechtigheid. Zulk eene conceptie van den wil is dan ook practisch niet te handhaven ; ze slaat al spoedig, ten vierde, vlak in haar tegendeel om. Want wie de macht van de aangeboren, dierlijke neigingen indenkt en daartegenover rekent met de duisterheid van het oorspronkelijk zedelijk besef, met de zwakheid van den zedelijken wil, die voelt, dat de vrijheidstheorie weldra in de redeneering voor de noodzakelijkheidstheorie plaats moet maken. Bij Tennant treedt dit duidelijk aan het licht. Niet alleen neemt hij de volstrekte algemeenheid der zonde aan, maar hij erkent, dat onze natuur en onze omgeving van dien aard zijn, dat zij „the realisation of our better solt" tot „a stupendously difficult task" maken; ja, het inwendige conflict tusschen nature and nurture, natural desire and moral end is de onvermijdelijke conditie van het menschelijk leven en de uitdrukking van Q-ods bedoeling *). Dienvolgens wordt de zonde in haar ontstaan en verdere ontwikkeling, bij het kind en bij de natuurvolken bedenkelijk verzwakt2), en haar begrip eigenlijk beperkt tot die overtredingen van de zedewet, welke met vol bewustzijn en opzet geschieden 3). Ten slotte zij nog met een enkel woord opgemerkt, dat deze leer over den oorsprong der zonde met het getuigenis der H. Schrift in lijnrechten strijd is en eene moderniseering van heel de Christelijke belijdenis over openbaring, verzoening, kinderdoop, enz. medebrengt 4).

Het baart daarom geene verwondering, dat deze nieuwe theorie over den oorsprong der zonde velerlei tegenspraak heeft uitgelokt5); feitelijk komt zij toch weer neer op de oude voorstelling van Pelagius, die door de gansche Christelijke kerk verworpen werd. Maar terwijl Pelagius getrouw bleef aan zijn uitgangspunt en de vrijheid van den wil trachtte te handhaven ten einde toe, begint de nieuwe theorie wel met den vrijen wil op den voorgrond te plaatsen, maar laat hem feitelijk toch weer onderliggen in den strijd tegen de macht der aangeboren, dierlijke natuur. Hoe dieper de zonde wordt ingedacht, des te minder wordt zij ook iets toevalligs en willekeurigs, des te meer neemt ze in macht en beteekenis toe, niet alleen voor

') 1b. 86. 92. 113. 118. 119.

2) Ib., 82 v., 89 v., 93 v. 100. 105. Yerg. Broivn, The over-emphasis of sin, Hibbert Journal April 1909 bl. 614—622.

3) Ib., XXIII. 163 v.

4) Verg. Tennant zelf bl. XII. XXVIII. 113. 119. 123 v. 144. 446.

6) Verg. de voorrede van Tennant, bl. XI—XXX.

Sluiten