Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het religieuze en ethische, maar ook voor het intellectueele en aesthetische, voor het physische en heel het kosmische leven. Indien echter bij dit inzicht naar den oorsprong der zonde wordt gevraagd, doen zich wederom verschillende antwoorden voor. Niet allen gaan even ver. Sommigen verklaren haar uit de menschelijke natuur, anderen uit den kosmos, nog anderen uit God.

Tot den eersten behooren zij, die den oorsprong der zonde zoeken in de overheersching des menschen door de materie. De Grieksche philosophie was over het algemeen de meening toegedaan, dat de rede tot taak had, om de zinnelijke driften en hartstochten te beteugelen. De Joden namen in den mensch van nature een yin liaan, die bij de lichamelijke ontwikkeling steeds in kracht won, in den geslachtslust zijn hoogtepunt bereikte, en, schoon zelf niet zondig, toch den mensch tot allerlei zonden verleidde1). In de ascetische richtingen keert deze gedachte telkens weer; de Roomsche theologie erkende zelfs haar betrekkelijk recht, als zij bij den mensch zonder den teugel van het donum superadditum van een natuurlijken strijd tusschen vleesch en geest, van een morbus en languor naturae humanae sprak 2). In de nieuwere philosophie en theologie wordt de zonde telkens op dezelfde wijze afgeleid uit eene oorspronkelijke tegenstelling tusschen natuur en rede, zinnelijkheid en verstand, lager en hooger ik, vleesch en geest, egoïstische en sociale neigingen. De zinlijkheid wordt op dit standpunt nog wel niet zelve voor zonde gehouden, maar toch aangezien als de aanleiding en de prikkel tot het zondigen. Alle zonde bestaat dus wezenlijk daarin, dat de geest de zinnelijkheid dient en over zich heerschen laat; en alle deugd is daarin gelegen, dat de mensch door zijne rede heersche over de natuur en alzoo tot vrije, zelfstandige persoonlijkheid zich ontwikkele 3). Zelfs beroept deze opvatting zich gaarne op de Paulinische leer van de en verblijdt zich over dezen Schriftuurlijken steun.

Maar deze verklaring der zonde lijdt aan halfslachtigheid. Eén van beide toch: de zinnelijke natuur van den mensch is op zich-

') Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. § 49. 50.

') Bellarminus, de gratia primi hominis c. 5.

3) Verg. Cartesius, Wolff, Fiehte, Hegel, bij Jodl, Gesch. der Ethik in der neuern Philos. I 1882 II 1889 en v. Hartmann, Das sittliche Bewustseirr 1886 bl. 265 v., en voorts Schleiermacher, Chr. Gl. § 66. Rothe, Theol. Ethik § 459 v. Biedermann, Chr. Dogm. § 763 v. Pfleiilerer, Grundriss § 100 v. Lipsius, Dogm. § 468 v. 477 v. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm.s 1892 bl. 61. Scholten, De viije wil 177. Leer der Herv. kerk II 422 v. 574 v. enz.

Sluiten