Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

zelve geen zonde, maar zonde ontstaat eerst, als de rede en de wil des menschen haar eischen inwilligt, dan valt deze theorie in die van het Pelagianisme terug; of de zinnelijke natuur is op zichzelve zondig, en dan is zonde eigen aan de materie als zoodanig en moet de anthropologische verklaring voortschrijden tot de kosmische. Dit is dan ook door velen geschied. Plato nam een eeuwige vhj aan naast en tegenover Gk>d. De werild was wel een werk der rede, maar van den beginne af werkte in haar ook eene andere, blinde macht, die door den ótjfiiovQyog niet geheel kon beheerscht worden. God kon de wereld daarom niet zoo goed maken, als Hij wilde; Hij was aan de eindigheid, aan de vhj, gebonden. De oorzaak van zonde, lijden en dood ligt dus in het aw/iarosnJse; de vhj houdt de in- en doorwerking der idee tegen; het lichaam is een kerker voor de ziel, bron van vreeze en onrust, van begeerte en hartstocht '). Gelijke beteekenis heeft de vhj in het Neoplatonisme en Gnosticisme en in velerlei ascetische en theosophische richtingen 2). En aan deze leer van Plato zijn verwant- alle theorieën, die de zonde afleiden uit eene wel door God geschapene, maar toch tegenover Hem staande materie 3), of uit de eindigheid en beperktheid der schepselen, 1'imperfection originale des créatures 4), of in het algemeen uit de realiseering der wereldidee.

Deze verklaring van de zonde uit den aard van het creatuurlijke zijn kan echter niet aan de consequentie ontkomen, om op de eene of andere wijze tot God terug te gaan en in zijne natuur of werk den oorsprong der zonde te zoeken. Bij Plato had de vhj zelve een eeuwig en zelfstandig bestaan naast God. In het Parzisme en Manicheïsme stonden twee persoonlijke Goddelijke wezens als scheppers van het licht en de duisternis eeuwig tegenover elkander en gaven aan de bestaande wereld haar tweezijdig karakter. Neoplatonisme en Gnosticisme maakten schepping, val, verlossing enz. tot momenten in eene emanatie, die van God als de (ivO-oc tiyvMffvog, het absolute pleroma, in steeds dalende formatiën uitging, ten slotte aan de materiëele wereld met haar onwetendheid, duisternis, zonde, lijden, dood het aanzijn gaf, maar dan die uitgestroomde en van God afgevallen wereld weer in het verlossingsproces tot God terugvoerde B).

') Zeiler, Philos. d. Gr. II 765 v.'855 v.

2) Zeiler, t. a. p. V. 125. 171. 236. 297. 386. 547.

3) Weisse, Philos. Pogm. § 541 y. 561 v. Rothe, Theol. Etliik § 55.

4) Leibniz, Theodicee § 156.

') Stöckl, Die spekulative Lehre vom Mensehen. Würzburg 1858 II 52 v.

Sluiten