Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met deze ideeën heeft zich de theosophie bij Böhrae en Schelling gevoed, als zij persoonlijkheid Gods, drieëenheid, schepping, val, verlossing uit het wezen Gods trachtte te verklaren 1). De drie Potenzen, die in God worden aangenomen, opdat Hij persoon, geest worde, zijn ook tegelijk de principia van een ander zijn, n.1. de wereld. Als persoon heeft God de vrijheid en de macht, om de Potenzen, die in Hem zijn, maar die Hij eeuwiglijk beheerscht, ook buiten zich in spanning te zetten 2). In die spanning ligt de mogelijkheid der zonde. In de oorspronkelijke schepping, hetzij alleen ideëel of ook reëel de eerste, waren deze Potenzen in rust. Zonde, ellende, duisternis, dood enz. Avaren er wel maar alleen potentiëel; ze sluimerden in den Urgrund der schepping. Maar de mensch, die deze Potenzen ook in zich droeg, verbrak die eenheid en ontketende de booze machten, die in de schepping potentiëel aanwezig waren. Eene wereld als de tegenwoordige met zooveel woestheid en ellende, is alleen uit een val te verklaren; deze is de Urthatsache der Gescliichte 3). Nog sterker beschouwde Hegel het als een afval, dat de idee van het absolute zich in de wereld als haar anders-zijn verwerkelijkte. Hoezeer hij in de natuur een product der rede zag, hij kon toch niet loochenen, dat ze onmachtig was, om de idee ten volle te realiseeren; en dies verklaarde hij, dat de idee, aan zulk eene wereld het bestaan gevende, aan zichzelve ontrouw geworden en van zichzelve afgevallen was 4). Zoo werd de weg voor het pessimisme gebaand, dat op de wijze van het Buddhisme het zijn zelf voor de grootste zonde houdt, bedreven door den blinden, alogischen wil, die de Urschuldige is B).

312. De oorsprong van het kwaad is na dien van het zijn het grootste raadsel des levens en het zwaarste kruis des verstands. De vraag: noiJiv 10 xuxov, heeft alle eeuwen de gedachten der menschen bezig gehouden en wacht nog steeds vergeefs op een antwoord, dat beter bevredigt dan dat der H. Schrift. Voorzoover

') Verg. deel II 339 v. 433 v.

2) Schelling, Werke II 3 bl. 272 v. 310. 338 v. Verg. Ed. von Hartmann, Schelling's philos. System. Leipzig 1897 bl. 118 v.

3) Verg. Böhme, bij Joh. Claassen, Jakob Böhme II 185 v. Schelling, Werke I 7 bl. 336-416. I 8 bl. 331 v. II 3 bl. 344 v. 358 v.

') Hegel, Werke VI 413 VII 1 bl. 23 v. bl. 15 v.

') Schopenhauer, Die Welt als Wille -u. Vorst8 I 193 v. II 398 v. Von Hartmann, Die Philos. des Unbew. II9 198 v. 273 v. 295 v.

Geief. Dogmatiek III. 3

Sluiten