Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar juist de geschiedenis der ascese is het best in staat, om voorgoed van de dwaling te genezen, dat de zonde op die wijze overwonnen kan worden. Ook in het klooster gaat het hart der menschen mede, en uit dat hart komen allerlei zonden en ongerechtigheden voort.

Ten onrechte tracht deze theorie zich staande te houden met een beroep op de notie ibn en rraoï; in de H. Schrift, bepaaldelijk bij Paulus. Dit woord duidt allereerst de stof, de substantie van het menschelijk lichaam aan, 1 Cor. 15:39, dan het uit die stof georganiseerde lichaam zelf in tegenstelling met nvsvficc, vovg, xctgóict, Rom. 2 : 25, 2 Cor. 7 : 5, Col. 2 : 5, voorts meer in Oudtest. zin den mensch als aardsch, zwak, broos, vergankelijk wezen, Gen. 6:3, 18 : 27, Job. 4 :17—19, 15 : 14, 15, 25 : 4—6, Ps. 78 : 39, 103 : 14, Jes. 40 : 6, Jer. 17 : 5, Rom. 3 : 20, 1 Cor. 1: 29, Gal. 2 : 16, en eindelijk dan bij Paulus de zondige levensrichting van den mensch. Zoo spreekt hij van Gaqxixog, èv (Tccqxi, xaxa auQxa sivai, £rjv, tisqitccctsiv, van afiaQTiag, (pQovrj/ia rtjg GaQxoc, Rom. 3:7, 7 : 14, 8 : 3v.,

1 Cor. 3:3, 2 Cor. 10: 2, 3 enz. In dezen zin vormt auoi; eene tegenstelling met nvsv/.icc, doch niet met het menschelijk nvevua, dat immers ook zondig is en heiliging behoeft, Rom. 12:1, 2, 1 Cor. 7 : 34, 2 Cor. 7:1, Ef. 4 : 23, 1 Thess. 5: 23, maar met het nvevfia t'cyiov of &eov, Rom. 8:2, 9, 11, hetwelk het menschelijk nvtvfia vernieuwt, Rom. 7:6, 8:14, Gal. 5 :18, ook het lichaam heiligt en in dienst der gerechtigheid stelt, Rom. 6:13, 19, 12 :1, 1 Cor. 6 :13, 15, 19, 20, en alzoo in den mensch een xaivog clvftoconog plaatst tegenover de oude, zondige levensrichting, de aa^'S, van den Ttctlaiog av&pooTiog, Rom. 7 : 5v., 8 : lv., Gal. 5:13—25, Ef. 2:3, 11, Col. 2 :4. Sommigen hebben nu gemeend, dat het vleesch naar deze beschouwing niet alleen zetel en orgaan, maar ook bron en oorsprong der zonde is 1).

Maar dit is niet te handhaven tegenover, noch te rijmen met deze onloochenbare gegevens, dat Paulus duidelijk de zonde afleidt uit de verleiding der slang en de overtreding van Adam, Rom. 5 : 12, 2 Cor. 11: 3 ; dat hij spreekt van eene besmetting des vleesches en des geestes en ten opzichte van beide reiniging verlangt, 2 Cor. 7:1; dat hij onder de vruchten des vleesches ook allerlei geestelijke

') Baur, Holsten, Lüdemann, Zeiler, Pfleiderer, Der Paulinismus2 1890 bi. GO v. Holtzmann, Neut. Theo]. 1897 II 13 v. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde 1188 v. Mattlies, Theol. Tijdschr. 1890 bl. 225—239. Wrede, Paulus. Halle 1905 bl. 59 v.

Sluiten