Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonden noemt, zooals afgoderij, twist, toorn en zelfs ketterij, Gal. 5 :19v.; dat liij de vijandschap tegen God aanduidt als qiQovrjfia Ttjg accQxog, Rom. 8:7; dat hij het bestaan van booze geesten aanneemt, die toch in het geheel geen ffuo'S hebben, Ef. 6:12 ; dat hij Christus, schoon ysvofievoc sx yvvaixog, Gal. 4:4 en uit Israël 10 xarcc (jaoxn, Rom. 9: 5, toch als zonder eenige zonde erkent, 2 Cor. 5:21; dat hij het lichaam een tempel Gods noemt en alle leden opeischt voor den dienst der gerechtigheid, Rom. 6 : 13, 19, 12:1, 1 Cor. 6 :13—20 ; dat hij eene opstanding der gestorvene lichamen leert, 1 Cor. 15, en de ascese in beginsel bestrijdt, Col. 2 :16, 1 Thess. 4:4. De voorstanders van het gevoelen, dat Paulus het vleesch voor het principe der zonde houdt, keeren dan ook dikwerf halverwege terug en zeggen, dat het vloesch niet zelf zonde is en niet vanzelf zonde meebrengt, maar wel tot zonde prikkelt en verzoekt').

Anderen hebben daarom geoordeeld, dat Paulus, als hij het woord auo$ in ethisclien zin bezigt, de oorspronkelijke beteekenis geheel uit het oog verliest2). Dit is op zichzelf echter al niet waarschijnlijk en doet hot verband, dat de Schrift telkens legt tusschen de aardsche, zwakke, vergankelijke natuur van den mensch en zijne zonde, niet tot zijn recht komen. Er is ongetwijfeld een innige samenhang tusschen beide; de zinnelijke natuur des menschen is niet de zonde zelve, noch ook bron of beginsel der zonde, maar is toch haar woning, Rom. 7 : 17, 18, en orgaan harer heerschappij over ons, Rom. 6:12. De mensch is niet louter geest, maar hij is aardsch uit de aarde, is geworden tot eene levende ziel, 1 Cor. 15:45v., staat daardoor met den kosmos in verband en heeft het lichaam altijd tot zijn werktuig en tot het orgaan van zijn handelen, Rom. 6:13, 8: 13. Deze zinnelijke natuur geeft aan de zonde, gelijk die den menschen eigen is, een van die bij de engelen onderscheiden karakter, zoowel in haar oorsprong als in haar wezen. Do verzoekingen komen van buiten door de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens tot hem. En het is de zinnelijke natuur van den mensch, die aan zijne zonde dit karakter geeft, dat hij den buik maakt tot zijn God, dat hij de

') Clemen, t. a. p. 204. Holtzmann, t. a. p. II 38.

2) Neander, Gescli. der Pflanzung u. Leitung der christl. Iiirche" 1862 bi. 508 v. Tholuck, Stud. u. Krit. 1855 bl. 477 v. Weiss, Bibl. Theol.3 1880 § 68. Wendt, Die Begriffe Fleisch «. Geist 1878 cf. Theol. Stud. van de la Saussaye c. s. 1878 blz. 361 v, Nifzsch, Ev. Dogm. 315 v.

Sluiten