Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil en zijne macht; hoe is dan die verhouding Gods tot de zonde te denken ? Sommigen ontnamen God, om Hem van alle zonde vrij te houden, zelfs de alwetendheid en de almacht 1). Anderen oordeelden, dat de zonde wel niet omging buiten Gods kennis, maar wel buiten zijn wil en stelden zich met het begrip der permissio tevreden. God kende de zonde wel vooruit, maar wilde ae niet; Hij liet ze alleen toe en heeft ze niet verhinderd. Zoo spraken de kerkvaders 2), en zij werden in dit spraakgebruik gevolgd door de Pelagianen 3), de Roomschen 4), de Remonstranten 5), de Lutherschen 6) en vele nieuwere theologen 7). Nu werd van deze zijde dikwerf wel erkend, dat de permissio geen gebrek aan kennis en macht in God was, dat ze Hem ook niet maakte tot een ledig toeschouwer der zonde; maar altijd werd toch de permissio omschreven als een actus negativus, als eene suspensio impedimenti, als noch een positief willen noch een positief niet-willen van de zonde, maar als een non veile impedire.

Het is duidelijk, dat deze voorstelling niet alleen geene oplossing geeft, maar ook dubbelzinnig is en de eigenlijke quaestie ontwijkt. De vraag, waarop het aankomt, is deze: stel, dat zulk eene min of meer negatieve daad van Goddelijke permissio in een bepaald geval voorafgaat, volgt dan de zonde al of niet, staat ze dan nog in de keuze van den vrijen wil des menschen of niet, kan hij ze dan nog even goed nalaten als doen? Indien de beslissing dan nog staat bij den vrijen wil des menschen, dan heeft Pelagius gelijk en is het bestuur der zonde feitelijk geheel aan God ontnomen en is Hij hoogstens een otiosus peccatorum spectator. Indien daarentegen

') Verg. deel II 189. In den nieuweren tijd wordt almacht of alwetendheid aan God ontzegd of eene zelfbeperking Hem toegeschreven door vele voorstanders van het Personal Idealism; zie byv. Mc Taggart, Some dogmas of religion 1906 bl. 186 v. 221 v. Tennant, The origin and propagation of sin bl. 141 v.

s) Clemens Alex., Strom. IV c. 12. Origenes, de princ. III 2, 7. Damascemus, de fide orthod. II 29 enz. Verg. Suicerus, s. v. tzqovoici en (Tvyywm^ic.

3) Augustinus, c. Julianum Pelag V. c. 3.

*) Oonc. Trid. VI c. 6. Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. II 16. Pctavius, de Deo VI c. 6, 5.

•) Arminius, Op. 644 v. 694 v. Episcopius, Inst. Theol. IV sect. 4 c. 10. Limborcli, Theol. Christ. II 29.

6) Gerhard, Loei Theol. VI c. 9. Quenstedt, Theol. I 533. Hollaz, Ex. theol. 449. Buddeus, Inst. Theol. 560. Bretschneidcr, Dogm. I 506.

■) Ebrard, Dogm. § 265. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 339 v. Shedd, Dogm, Theol. I 419' 444 enz.

Sluiten