Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de permissio Gods van dien aard is, dat de mensch, in die omstandigheden geplaatst, niet door dwang maar krachtens de ordinantiën, die speciaal voor het zedelijk leven gelden, de zonde doen moet, dan is het recht aan de zijde van Augustinus, men moge over het woord permissio oordeelen gelijk men wil. Alzoo dit vraagstuk stellende, had Augustinus al ingezien, dat de toelating niet zuiver negatief kon zijn, maar eene daad moest zijn van Gods wil. Non fit aliquid nisi omnipotens fiere velit, vel sinendo ut fiat vel ipse faciendo. God doet al wat Hem behaagt; Hij wil niet iets, zonder het te doen, maar wat Hij wil, dat doet Hij, en wat er geschiedt, geschiedt nooit buiten zijn wil. Mori et ineffabili modo non fit praeter ejus voluntatem, quod etiam contra ejus fit voluntatem, quia non fieret, si non sineret (nee utique nolens sinit sed volens) nee sinere bonus fieri male, nisi omnipotens et de malo facere posset bene 1). Vele scholastieke en augustiniaansche theologen spraken nog in gelijken geest; al bedienden zij zich ook van het woord toelaten, het werd toch opgevat als veile sinere of veile permittere mala fieri2).

In het wezen der zaak hadden de Gereformeerden geene andere overtuiging; vandaar dat een zekere Livinus de Meyer terecht zeide: ovum ovo non esse similius quam doctrinam Calvinianam Thomisticae 3). Alleen maar, zij hadden de ervaring opgedaan, dat het woord permissio in zeer dubbelzinnige beteekenis gebezigd en tot verberging van het Pelagianisme misbruikt werd. Daarom waren zij het woord niet genegen. Zij hadden er op zichzelf zoo weinig tegen, dat zij het toch feitelijk allen weer gebruikten4). Maar de permissio was dan naar hunne overtuiging geene zuivere negatie, geene mera cessatio voluntatis, voortvloeiende uit ignorantia of impotentia of negligentia, maar een positieve daad Gods, eene volitio efficax, echter niet efficiens of producens maar deficiens, waarop naar den aard van het zedelijk leven de zonde volgen moet 5). Het is waar,

') Augustinus, Enchir. 95—100. de trin. III 4 v. de civ. XIV 11. de gr. et libarb. 20, 21.

2) Lombardus, Sent. I 46. Thomas, S. Theol. I. 19 art. 9. c. Gent. I 95 II 25.

3) Bij Daelman, Summa S, Thomae II 308.

4) Bij Ebrard, Dogm. § 265.

') Zwingli, Op. III 170 IV de provid. c. 5. Calvijn, Inst. I 17, 11. 18 1, 2. II 4, 2—4. II 23, 4. 8. 9. Beza, Tract. Theol. I 315. 387. 399. II 347. III 426. Zanchius, Op. II 279. Martyr, Loei Comm. 58. Gomarus, de provid. Dei c. 11. Twissus, de permissione, Op. I 544—668. Maccovius, Loei Comm. 206. Alting, Theol. El. nova 316. Examen v, h. Ontw. v. Tol. VI 277. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 96 enz.

Sluiten