Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

und nur die Fortdauer dieses Verbrechens macht den Fortbestand oder die Forterzeugung dieser Materie begreiflich (Baader) »).

Maar deze theorie, hoe bekoorlijk ook, heeft toch geen genoegzamen grond in de H. Schrift. In Gen. 1 : 2 staat niet, dat de aarde woest en ledig werd, maar dat ze dat was; met, geen enkel woord wordt gezegd, dat deze woestheid en ledigheid in eene verwoesting bestond, die op een geordenden toestand volgde; en veel minder is er nog sprake van, dat de val der engelen vóór dien tijd heeft plaats gehad en van die woestheid de oorzaak was. Voorts is niet in te zien, wat verband er bestaan kan tusschen den val der engelen — onderstel, dat deze al vóór Gen. 1 : 2 plaats had — en de woestheid der aarde. Om zulk een verband te leggen, moet men tot allerlei gnostische ideeën de toevlucht nemen ; men moet dan leeren, dat de engelen in zekeren zin lichamelijke wezens zijn en de oorspronkelijke aarde tot woonplaats ontvingen, gelijk zij nu dan ook volgens sommigen nog op de vaste sterren wonen; dat de eerste aarde, die in Gen. 1 : 1 geschapen werd, eene wezenlijk andere was, dan die in de zes dagen werd toebereid en uit eene fijnere substantie bestond; dat de grove materie, waaruit ze nu bestaat, schoon door God geschapen, toch den val onderstelt, iets ongoddelijks en van nature onrein en zelfzuchtig *s te zamen meeningen, die niet aan de Schrift, maar aan

het Gnosticisme zijn ontleend.

Even weinig grond is er voor de meening, dat de val des menschen reeds vóór Gen. 3, hetzij dan in den praeëxistenten toestand der zielen, hetzij in Gen. 2 bij en vóór de schepping der vrouw plaats had. Eerstgenoemde meening was in de oudheid wijd verbreid ; wij treffen ze aan in Indië, Perzië, Egypte, bij verschillende wijsgeeren in Griekenland als Empedocles, Pythagoras en Plato, in Rome en in de Joodsche kabbala. Dat zulk eene gedachte opkwam, is niet moeielijk te verklaren. De ellende des levens drong buiten het licht der openbaring tot zulk eene onderstelling. Volgens het getuigenis van 's menschen zedelijk bewustzijn hangen deugd en geluk, en evenzoo schuld en ellende ten nauwste met elkander saam; als dit leven dikwerf niets dan ellende schijnt te zijn, als

) Joh. Claassen, Jakob Böhme II 18S5 bl, 127 v. Id., Franz von Baader II 1887 bi. 157 v. Keerl, Der Mensch das Ebenbild Gottes I 166 v., en vele anderen zooals Hamberger, Schubert, K. von Raumer, R. Wagner, Kurtz, Delitzsch enz., verg. Reusch, Bibel und Natur' 1876 bi. 88. Zie ook Gerretsen, De val des menschen, bladz. 45 v.

Sluiten