Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ellende niet eerst op lateren leeftijd, maar reeds met de ontvangenis en geboorte begint, dan wijst zij op eene schuld, die de mensch reeds vóór zijn aardsch bestaan zich op den hals heeft gehaald. Het tegenwoordige leven met zijn jammer en smart is eene boete voor het kwaad, dat hij in een vroeger bestaan heeft gepleegd, en als hij die boete in dit leven niet afbetaalt of zelfs zijne schuld nog vermeerdert, dan ontvangt hij hiernamaals een lot, dat aan zijn gedrag in dit leven beantwoordt. Praeëxistentie der zielen en zielsverhuizing zijn daarom correlaat; zij worden beide door de gedachte van de vergelding, van het karma, beheerscht »).

Deze gedachte van de vergelding verschafte haar ook later telkens weer ingang. Origenes nam de leer van het vóórbestaan en van den val der zielen over, om daardoor de ongelijkheid der redelijke schepselen in bedeeling en lot te verklaren «), en werd daarin later ook nog door Synesius en Nemesius gevolgd. De theosophie voelde er zich evenzeer door aangetrokken, en verbond er dan nog dikwerf de gedachte mede, dat de mensch eerst androgyn was geschapen, en de schepping der vrouw reeds bewijs was van een vooraf geschieden val s). Ook in de nieuwere philosophie kwam de gedachte aan een voorbestaan en val der zielen weer op ; men heeft ze zelfs toegeschreven aan Kant, omdat hij den radikalen Hang zum Bösen en de angeborne Schuld uit eene intelligibele vrijheidsdaad trachtte te verklaren. Inderdaad heeft Kant tegenover het oppervlakkig rationalistisch optimisme van zijn tijd wederom het absoluut karakter der zedewet gehandhaafd en het algemeene en diepe bederf der menschelijke natuur in het licht gesteld. Maar daarbij was hij de overtuiging toegedaan, dat de mensch in de kern van zijn wezen toch goed was en, overeenkomstig de conclusie : du solist, also du kannst, ook wederom voor het goede kiezen en dit volbrengen kon ; voorts, dat men wel van een Hang, maar niet van eene Anlage zum Bösen bij den mensch kan spreken, en dat die Hang daarom niet door overerving verkregen kan worden noch ook aangeboren kan zijn; eindelijk, dat ieder mensch persoonlijk, maar ook alleen voor zijne eigene daden verantwoordelijk was, dat dus van een val van het menschelijk geslacht in Adam en van eene erfzonde geene sprake kon zijn. Als de Hang zum Bösen desniet-

') Gennnch, Die Lehre von der Wiedergeburt. Leipzig 1907 bl. 275 v 2) Verg. deel II 486. 601. Muller, Siinde II 104. 213.

) \ erg. deel [I 608 en voorts nog M. Vitringa, Doctr. Chr. II 265,

Sluiten