Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

temin van de ontvangenis en geboorte afaan aan ieder mensch eigen was, dan kan dit alleen daaruit verklaard worden, dat de principiëele beslissing van ieder mensch over zijn goed of boos karakter eene intelligibele daad was, dat wil niet zeggen: eene i'orzeitliche, maar eene Mwzeitliche, ansserzeitliche, geen temporeele, maar eene logische daad. Natuurlijk was dit geene verklaring, maar het was alleen de erkentenis, dat wij hier voor eene verborgenheid staan en 's menschen verantwoordelijkheid en schuld niet anders kunnen handhaven dan door de onverklaarbaarheid van den oorsprong der zonde uit te spreken *).

Door deze leer van de intelligibele vrijheid kwam Kant niet alleen met zijn eigen criticisme in strijd, maar baande hij ook den weg tot allerlei verwarring en misverstand. Als de intelligibele vrijheidsdaad iets beteekenen zou, dan kon zij niet zuiver un- en ausserzeitlich, maar moest zij vorzeitlich worden opgevat; uit de gedachte moest zij dan in de werkelijkheid, zij het dan ook in eene praeëxistente werkelijkheid, worden overgebracht. Dat geschiedde vooral door Julius Müller in zijn beroemd werk over de Christelijke leer van de zonde. Hij vond de belijdenis der kerk, dat het gansche menschelijk geslacht in Adam gevallen was en schuldig stond, ongenoegzaam, omdat zij aan de persoonlijke verantwoordelijkheid te kort deed. Indien echter de mensch blijkens het getuigenis van zijn geweten verantwoordelijk was voor zijn ganschen zedelijken, dat is in dit geval, zondigen toestand; als deze toestand daarom wortelen moest in eene daaraan voorafgaande vrije wilsbeslissing; als er verder, daar de zondige toestand aangeboren is, voor zulk eene allesbeheerschende wilsbeslissing in dit leven geene plaats was aan te wijzen; dan moest de eerste zondige daad wel voorgevallen zijn in een tijd, die aan dit leven voorafging; de persoonlijke aangeboren schuld maakte de praeëxistentie der zielen noodzakelijk -). Ofschoon het vóórbestaan van den mensch in dezen zin slechts weinig instemming heeft gevonden, is het toch in een anderen vorm door velen overgenomen en met de evolutieleer in verband gebracht. Als er geen sprong is in de natuur, maar al het hoogere zich geleidelijk uit het lagere heeft ontwikkeld, dan kan ook de mensch of de menschelijke ziel niet indertijd plotseling zijn ontstaan; zij

') Müller, Sünde II 105 v. T. Hoekstra, Immanente Kritik zur Kantischen Religionsphilosophie. Kampen 1906 bl. 26—41,

') Müller, t. a. p. II 91—99, 198 v.

Sluiten