Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet dan in de dierlijke gepraeformeerd zijn, in den mensch zich bij den voortduur ontwikkelen, en bij het sterven in eene hoogere bestaanswijze overgaan. Deze wijziging van de praeëxistentie begon reeds bij von Helmont, Leibniz, Bonnet, Lessing en anderen *), werd in de vorige eeuw met de descendentieleer in verband gebracht en verheugt zich thans in veler instemming; Darwinisme en spiritisme liggen in dezelfde lijn; de praeformatie van den mensch naar omlaag wordt aangevuld door zijne metamorphose naar omhoog; het dier wordt mensch en de mensch wordt Uebermensch 3).

Maar al deze beweringen missen genoegzamen, zoowel philosophischen als theologischen, grond. Ten eerste sluiten zij het praeëxistente bestaan der zielen in, hetwelk om verschillende redenen onaannemelijk is 3), of gaan, in den nieuweren vorm, uit van de wezensgelijkheid van dier en mensch en engel, welke wel op valsche wijsgeerige stellingen, maar niet op feiten der werkelijkheid rust 4). Ten andere wordt de val, die in Gen. 3 wordt verhaald, van zijn karakter en beteekenis beroofd; hij houdt op een val te zijn en wordt slechts de verschijning van iets, dat reeds lang geleden heeft plaats gehad; in verband daarmede verliest de tijdelijke, empirische vrijheid, welke den mensch werd geschonken, al hare waarde; de ziel heeft haar vrijheid reeds van te voren in hare praeëxistentie misbruikt, en is dan tot straf in het lichaam geplaatst; en dit lichaam staat van huis uit dualistisch tegen de ziel over en kan niet gerekend worden tot het wezen van den mensch. Ten derde is deze leer ook in strijd met den organischen samenhang van het menschelijk geslacht; ieder mensch hoofd voor hoofd is schepper van zijn eigen lot; das Wesen des Menschen ist wesentlich seine eigene That (Schelling); waarbij het verwondering baart, dat alle menschen individueel, zonder eenige uitzondering, zich ten kwade bepalen en dat alleen de eerste mensch, ofschoon gevallen, toch nog een proef ontving, of hij misschien nog wilde staande blijven en zijn val herstellen. En eindelijk is het duidelijk, dat de menschheid, alzoo in een aggregaat van individuën opgelost, noch een gemeenschappelijk hoofd kan hebben in Adam noch ook in Christus. Er is geen gemeenschappelijke val, er is dus ook geen gemeenschappe-

') Gennrich, Die Lehre v. d. Wiedergeburt bl. 338 v. ') Verg. mijne Wijsbeg. der Openbaring bl. '253 v. ') deel II 624.

4) deel II 550 v.

Sluiten