Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk herstel; ieder valt voor zichzelf, ieder moet zichzelf dus ook oprichten; in weerwil van het radicale Böse besloot Kant dan ook uit het du solist tot het du kannst.

Wij moeten daarom bij de gegevens der Schrift, hoe weinig deze ook zijn, blijven staan. De tijd van den val der engelen wordt in het geheel niet vermeld. Met het oog op het art doyj^. Joh. 8 : 44, waren vele theologen van oordeel, dat de engelen wel niet in het moment hunner schepping zelve, in primo instanti, maar dan toch terstond daarna, in secundo instanti, door hunne eerste wilsdaad óf in het goede bevestigd óf in zonde gevallen waren J). Anderen namen aan, dat er een korte tijd na hun schepping verliep, en dat hun val dan óf nog vóór de schepping van hemel en aarde in Gen. 1: 1 2), óf binnen de zes scheppingsdagen 8), óf met het oog op Gen. 1 : 31 eerst na afloop van heel het scheppingswerk plaats had 4), Even weinig valt er met zekerheid te zeggen van 's menschen val. Sommigen spreken van jaren na zijne schepping; anderen meenen, wijl Genesis na het verhaal van de schepping terstond overgaat tot dat van den val en ook op grond van Gen. 4 : 1, dat de val des menschen slechts enkele dagen na of zelfs op denzelfden dag als zijne schepping heeft plaats gehad 5). Deze tijdsbepalingen zijn ook van minder gewicht. Wat wel van belang is, is dit, dat volgens de Schrift de val van de schepping zelve wezenlijk onderscheiden is. De zonde is een verschijnsel, waarvoor de mogelijkheid wel in de schepping van eindige, veranderlijke wezens gegeven was, maar welks werkelijkheid alleen door den wil van het schepsel tot aanzijn geroepen kon worden. Zij is eene macht, die niet tot het wezen der schepping behoort, die er oorspronkelijk niet was, die er gekomen is door ongehoorzaamheid en overtreding, die wederrechtelijk in de schepping is binnengedrongen en die er niet behoorde te zijn. Zij is er, en haar zijn is geen toeval; zelfs mag met het oog op den raad Gods, die haar opnam en eene plaats aanwees, tot op zekere hoogte en in zekeren zin gezegd worden, dat zij er moest wezen. Maar zij moest er dan toch altijd wezen als iets, dat niet behoorde te zijn en dat geen recht heeft van bestaan.

') Augustinus, de civ. XI 13. Thomas, S. Theol. I qu. 62 art. 5. qu. 68 art. 5. 6.

*) Episcopius, Inst. Theol. IV 3, 1.

3) Coecejus op Joh. 8 : 44.

*) Voetius,Disp.1.919-920. Turretinus,Theol. El.1X5. M. Vitringa,Doctr.Chr.II261.

') Marck, Hist. Parad. III 7. Moor, Comm. IV 166. M. Vitringa, Doctr, Chr, JJ 261. Zöckler, Urstand des Menschen 35 v.

Sluiten