Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaruit, dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en geboorte afaan onrein voor God staat, Ps. 51: 7. In Joh. 3: 6 zegt Jezus, dat het vleesch, d. i. de mensch als aardsch, zinnelijk wezen, van beneden levende, 3:31, 8 : 23, alleen vleesch voortbrengen kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest behoeft, dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als <suo'§, onrein en bedorven is van zijne geboorte af. En in Ef. 2 : 3 verklaart Paulus, dat Joden en Heidenen rtxva (pvast ógyrjg zijn; hij stelt zeer zeker <pvosi hier niet tegenover de dadelijke zonden, waar hij juist over spreekt, vs. 1—3, maar zegt, dat zij (pvGsi kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu, nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, eene (fvffig, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2 :14, 15, 1 Cor. 2 :14.

Voor het overige is het waar, dat de H. Schrift de algemeenheid der zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf des menschen veel meer onderstelt en in de werkelijkheid zien laat, dan breedvoerig in woorden beschrijft. De menschen zelven worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen het geslacht vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar ook het volk van Israël; en onder dat volk worden ook van de vromen vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van het rechtvaardige hunner zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor God nedervallen en om ontferming en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32, 38, 51, 130, 143; Neh. 9:33, Jes. 6:5, 53:4-6, 64:6, Jer. 3:15, Dan. 9: 5v. Het is het hart van den mensch, dat bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr. 4:23, daaruit komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand voort, Mk. 7 :22. Het verstand des menschen is verduisterd, Job 21 :14, Jes. 1: 3, Jer. 4 : 22, Joh. 1: 5, Rom. 1: 21, 22, 1 Cor. 1:18-23, 2:14, Ef. 4:18, 5:8; zijn ziel is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode, Lev. 17:11, Ps. 19:8, 41: 5, Spr. 19 : 2, 15, Mt. 16 : 26, 1 Petr. 1: 22; zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken, verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19, Spr. 16 :18, 32, Pred. 7 : 9, Jes. 57 :15, 66:2, 1 Cor. 7 : 34, 2 Cor. 7 : 1, 1 Thess. 5:23; zijn geweten is bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1:15, Hebr. 9 : 9, 14, 10: 22;

Sluiten