Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt Paulus dan ook van vers 14 af in den tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van voorstelling, maar wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en goedkeurt. Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus, vs. 4, Gal. 2 : 19, 20, door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd, Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig en goed leeren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de wet door het geloof, Rom. 3 : 30. 2° Omdat Paulus naar den gang van zijn betoog de wet in haar heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld op de zonde. Deze was eerst eene objectieve macht, die aanvankelijk voor Paulus, zoolang hij leefde zonder de wet, vers 9, niet bestond en niet door hem gekend werd. Vervolgens heeft die zonde door middel van de wet, de begeerlijkheid in hem gewrocht, vers 8, en zij kon dat doen, omdat die begeerlijkheid van nature in hem woonde en hij vleeschelijk was, vers 14 1). Eindelijk heeft die zonde, op deze wijze weder levend geworden en als zonde geopenbaard, hem doen sterven, vers 9 v., m. a. w. hem aan zichzelf en aan zijne eigene gerechtigheid doen wanhopen. Maar wijl dit sterven een sterven was in de gemeenschap met Christus, Gal. 2 : 19, is hij door dien dood ook weder opgestaan, is hij innerlijk in zijn wil, in zijne innerlijke gezindheid herboren, zoodat Paulus nu een scherp onderscheid kan maken tusschen het centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar in zijne leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.1. de zonde. Zulk een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij den onwedergeborene aangenomen. Bij dezen is er wel eene kennis van God en van de wet en ook een van nature doen van de dingen, die der

') Dr. Gerretsen, in zijn Rechtvaardigmaking bij Paulus 1905 bl. 78—92 sprekende over Kom. 7 : 7—13, zegt wel terecht, dat deze pericoop de individueele parallel van Kom. 5 :12 v. is en het ontstaan der zonde in den individu beschrijft. Maar dit mag niet zoo worden verstaan, dat de zonde oorspronkelijk in den mensch, zoolang hij zonder de wet leeft, vóór de ontwaking van het zedelijk bewustzijn, hoegenaamd geene plaats inneemt en nog geheel buiten hem staat. Integendeel de objectieve macht der zonde kan daarom juist, door middel van de wet, bij den individueelen mensch de begeerlijkheid opwekken en door hem bovenmate zondigende worden, omdat hij zelf van nature vleeschelijk is en de begeerlijkheid dus van den aanvang af, zij het ook sluimerend en onbewust, in hem aanwezig is. Daarom is het ook niet juist, om, na den eersten zondeval in Adam, nog bij ieder mensch afzonderlijk van een tweeden zondeval te spreken.

Sluiten