Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet zip, Hom, 1: 19, 2 :14, 15, d. i. dus een strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten en lust, verstand en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest, gelijk Paulus dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal. 5 :17 ; alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3° Ofschoon Paulus als wedergeborene zichzelf nog noemt actqxtxog, ntnoantvog vno n.v aiiuonuv, hij zegt daarmede toch met, dat hij iv anoxi is, 8:8, 9, of xara aunxu wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen zoo, wijl hij vanwege de in zijne leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil, en dus door die wet deizonde in zijne leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig, wijf hij met het vleesch de wet der zonde dient, toch dankt hij God door Jezus Christus en dient hij met zijn rovg de wet Gods, vs. 26 ; en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8 nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt hij naar den Geest. 4° Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7:14v. van den onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte zelve onnoodig, eene helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer der Schrift over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over geloof en bekeering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7 : 7—25 een sterk bewijs voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur; want indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al, zonder het te weten, een dienstknecht der zonde, zijnde in het vleesch en wandelend naar het vleesch; en het bedenken van dat vleesch is vijandschap tegen God.

318. Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit den val van den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even zooveel woorden ; Gen. 3 let veel meer op de verandering in de omstandigheden, die tengevolge van den val intreedt (smart der vrouw, vervloeking van het aardrijk, verdrijving uit den hof), dan op den zedelijken omkeer, die er bij Adam en bij zijne nakomelingen plaats greep. Maar toch verhaalt het, dat terstond na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen meester maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten van God. De straffen, Gen. 3:16v. uitgesproken, hebben niet alleen op Adam en Eva, maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen betrekking, en deze straffen onderstellen naar heel de beschouwing des O. T. ook

Sluiten