Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

wijl zij immers in den doop is uitgedelgd. De zonde wordt daarom niet voortgeplant door generatie, maar door imitatie. De menschen, wier zielen rein door God worden geschapen, worden nu nog in denzelfden toestand geboren, als waarin Adam zich bevond vóór den val; ziekte, lijden, dood enz. zijn geen straffen der zonde; de mensch is nog volkomen -vrij, en kan nit zichzelf het goede kennen en doen, hij heeft geene genade van noode ; het is mogelijk, om van alle zonden zich te onthouden, en enkele menschen hebben het inderdaad ook zoo ver gebracht1).

Deze gedachten uitsprekende, deed Pelagius niet veel meer dan de voorstellingen overnemen, die reeds lang geleden door Grieksche en Romeinsche wijsgeeren verkondigd waren en in de populaire philosophie ingang hadden gevonden. Volgens de Joden zelfs werden de zielen nog altijd rein door God geschapen en in staat gesteld, om de in het vleesch wonende begeerlijkheid tegen te staan en te overwinnen. En de dichters en denkers in de klassieke wereld spraken wel dikwerf in roerende klacht over de algemeene macht der zonde; maar, omdat zij van geene verlossing wisten, konden zij daaraan niet getrouw blijven en leerden daarnaast toch altijd weer de kracht van den mensch, om zichzelf van de zonde te bevrijden en de deugd te beoefenen. Zij verkeerden in eene antinomie en sloegen van het eene in het andere uiterste over. Soms schilderen zij de verdorvenheid van hun tijd met zoo donkere kleuren, dat het somberste pessimisme er niets meer aan toevoegen kan ; en dan weer verheerlijken zij de wereld en achten de natuur volmaakt en voor geene verbetering vatbaar. Zoo duikt bij hen de tegenstelling reeds op tusschen cultuur en natuur; gene moge dikwerf verkeerd zijn, deze is goed zoowel in als buiten den mensch. Het kwade wordt niet met ons geboren, maar wordt later door ons vrijwillig gepleegd; daarentegen zijn beginselen der deugd in ons hart geplant, en staat zij zelve in onze macht. Sunt in gemis nostris semina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos ad beatam vitam natura perducerat 2). Erras, si existimas nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt 3). De deugd wordt niet gegeven en ontvangen, maar alleen door oefening en inspanning verkregen; wij danken er God niet

') Verg. de antipelagiaansche geschriften van Augustinus, o. a. opgenoemd en zakelijk teruggegeven bij B. B. Warfield, Two studies in the history of dogma, New-York 1897 bi. 3—139.

*) Cicero, Qu. Tusc. II 1.

*) Seneca, Ep. 96.

Sluiten