Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

voor, maar onszelven. Hoezeer de zonde dan ook algemeen verbreid moge zijn, er zijn uitzonderingen ; er zijn waarlijk brave, deugdzame menschen ; nemo poene sine vitio est, oi nXsiavoi xaxoi1).

In het Pelagianisme werd deze leer van de natuurlijke goedheid van den mensch vernieuwd. Ofschoon zij onder den naam van Pelagius veroordeeld werd, bleef zij toch onder een anderen naam in de Christelijke kerk zich handhaven. Door haar supranaturalistische en mechanische opvatting van het beeld Gods kwam de Roomsche kerk tot de belijdenis, dat de homo naturalis na verlies van het donum superadditum nog waarlijk goede werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijken, maar dan toch in natuurlijken zin 2). Men behoefde het supranatureele toevoegsel maar weg te nemen, om in eens voor de ongeschonden natuur te staan. Dit geschiedde in het Humanisme, en Coornhert, die Roomsch en humanist bleef tot zijn dood toe, gaf daar uiting aan, als hij zich grootelijks ergerde aan de vijfde en achtste vraag uit den Heidelberger Catechismus. Socinianen 3), Wederdoopers 4), Rationalisten 5) keerden tot ditzelfde Roomsche standpunt terug; in de achttiende eeuw vooral was de verheerlijking van de natuur de mode van den dag, en Rousseau was daarvan de welsprekende tolk. Alles is goed, zooals het uit de handen der natuur voortkomt, maar alles bederft in de handen van den mensch. De natuur is altijd en overal goed, maar de cultuur is oorzaak van alle gebrek en ellende. Neem het werk van den mensch weg, en alles is goed. Het dier is gelukkig in zijn natuurtoestand, maar de mensch is ellendig geworden door de maatschappij. En daarom, laten wij in de opvoeding, in den godsdienst, in de moraal, in de maatschappij en den staat tot de natuur terugkeeren, tot den idyllischen toestand van de herders en landbouwers, tot de onschuldige en onbezorgde leefwijze van Hottentotten en' Roodhuiden ; dan is de deugd en het geluk in eens voor de menschheid hersteld 6). De Revolutie heeft dat ideaal toen practisch zoeken te

') Schneider, Christl. Klange 141 v.

s) Trid. VI. can. 5. 7.

8) Fock, Der Socin. 654 v.

*) Cloppenburg, Op. II 151 v.

*) Wegscheider, Inst. Theol. ยง 117.

9) Rousseau in zijne profession de foi du vicaire Savoyard. Gelijk hij zelf ingenomen was met de goedheid yan zijn eigen hart, zoo getuigde Lamartine dat zijne ziel niets dan goedheid ademde, bij Weisz, Apol. d. Christ. II 38. En ook Pierson zeide, dat hij volstrekt niet geneigd was tot alle kwaad, maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl. 259.

Sluiten