Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden den nadruk legt en dezen tot den val van Adam terugleidt: fuft Adam et in illo fuimus omnes, periit Adam et in illo omnes perierunt '). Maar toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijne beide geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5 :12 1 Cor. 15:22, Ef. 2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius, Ambrosius, Gregorius Naz., Chrysostomus e. a., tot verdediging van zijn gevoelen aan; dan ziet hij ook in de practijk van den kinderdoop een krachtig bewijs voor zijne leer van de erfzonde; en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke ellende van het menschelijk geslacht niet anders dan als eene straf op de zonde te verklaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig is, alle menschen van hunne ontvangenis afaan onderwerpen aan zonde en dood, als zij volkomen onschuldig zijn ? Er moet op allen rusten eene oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat alle kinderen van Adam drukt is anders niet te begrijpen; wie de ellenden van het menschelijk leven nagaat, van het eerste schreien der kinderen af tot de laatste zuchten der stervenden toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen van een originale peccatum. Quoniam Dei non est iniquum judicium, ideo in miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum, agnoscendum est originale peccatum 2).

De zonde van Adam moet daarom opgevat worden als eene daad van hem en van al zijne nakomelingen. Adam was niet een privaat persoon, niet een individu naast anderen, maar alle menschen waren in hem begrepen. De wijze hiervan wordt bij Augustinus niet volkomen duidelijk: wijl hij bij de vraag naar den oorsprong der ziel van eene keuze tus3chen traducianisme en creatianisme zich onthield laat hij er zich ook hier niet beslist over uit, of het begrepen zijn van het menschelijk geslacht in Adam alleen realistisch of ook foederalistisch te denken is. Eenerzijds zegt hij telkens, dat allen in Adams lendenen waren, gelijk de Israelieten in die van Abraham, dat Adam geen beteren kon voortbrengen dan hijzelf was, dat Adams zonde door propagatie en niet door imitatie wordt overgeplant, dat de zonde van Adam ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze als de gerechtigheid en het leven van Christus door wedergeboorte 3). Maar andererzijds is toch het feit van beteekenis,

') Harnach, I). G. III 45.

2) Augustinus, Opus imperf. c. Jul. II 77 en zoo passim I 25. 49. II 107 III 44. 202. VI 17. 28 enz.

3) De civ. Dei XIII 3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz.

Geref. Dogmatiek III. £»

Sluiten