Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verloien, en \v;in 11 eor haar schuld in dGn doop wordt weggenomen, blijft zij zelve toch over als prikkel voor den strijd, reatus ejus regeneratione solutus est, conflictus ejus ad agonem relictus est1).

Scholastiek en Roomsche theologie bouwden op dezen grondslag voort, maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch eene niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte, dat Adams overtreding de oorzaak was van aller menschen zonde en dood. De erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan alle menschen van die overtreding, welke Adam beging, wijl zij allen ia hem begrepen waren ; zij is in de eerste plaats schuld, daarna straf. De Schrift sprak dit dan ook duidelijk uit, en de kerk nam het op in hare belijdenis 2). Pighius en Catharinus gingen zelfs zoover, dat zij in deze toerekening van Adams overtreding geheel de erfzonde lieten opgaan en alwat daarop volgde, verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, bederf der natuur enz., alleen als straf, maar niet als zonde wilden opvatten 3). Maar ongetwijfeld spraken deze theologen daarmede eene gedachte uit, die uit de ontwikkeling van het leerstuk der erfzonde in de Roomsche theologie voortvloeide. Er kwam n.1. spoedig verschil over het karakter van dien zedelijken toestand, welke na Adams ongehoorzaamheid bij hem en bij al zijne nakomelingen was ingetreden. Bij Augustinus bestond deze in de concupiscentia, die dan in den geslachtsdrift haar voornaamsten zetel en orgaan had. Hierbij bleef Lombardus nog staan 4). Maar langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op, dat aan Adam geschonken, maar door zijn val verloren werd. Het eerste gevolg van Adams overtreding was dus voor hem en alle menschen het verlies van de gratia supernaturalis {justitia originalis); dit was het eerste, negatieve element in de erfzonde, waar dan het tweede, positieve, n.1. de concupiscentia, nog bijkwam. Zoo omschreef Anselmus de erfzonde reeds 5), en werd daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd. De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in quaedam inordinata naturae dispositio (concupiscentia) 6). Maar bij

Op. imp. c. Jul. I 71, 101. c. Jul. VI 5. de pecc. mer. et rem. II 4 Verg. Gangauf, Die metaph. Psych. d. h. Aug. bl. 420 v.

S Conc. Milev. can. 2. Oonc. Araus. c. 2. Trid. V 2. Cat. Kom. I 3, 2.

3) Bij Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. V 16.

4) Lombardus, Sent. II dist. 30. 31.

') Anselmus, de casu diaboli 27.

) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 82 art. 1. Verg. verder ScJnvane, D. G. III393—413.

Sluiten