Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

primoprimi motns zonde was; zij wordt niet eerst tot zonde, als de wil erin toegestemd heeft, maar zij is zonde in zichzelve, niet eerst als formata dus, doch ook reeds als informis. Calvijn verklaart wederom, dat hij in dit punt van Augustinus afwijkt; deze noemt de concupiscentia, als in den doop de schuld ervan is weggenomen, met den naam van infirmitas; nos autem illud ipsum pro peccato habemus 1). En eindelijk was deze corruptie der menschelijke natuur eene zoo totale, dat de mensch van nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad, en om haar alleen reeds de eeuwige straf waardig.

Het valt niet te ontkennen, dat men soms, uit reactie tegen Rome, vooral van Luthersche zijde zich al te sterk uitgedrukt heeft. Al was het niet zoo kwaad bedoeld, het was toch zeker voor ernstig misverstand vatbaar, als Luther de erfzonde peccatum essentiale en essentia hominis noemde 2). Nog sterker sprak Flacius van de erfzonde als substantia hominis. En ook de Formula Concordiae zeide in Luthers eigen woorden, dat 's menschen verstand, hart en wil in geestelijke zaken prorsus corruptus atque mortuus was, niets meer vermogend quam lapis, truncus aut limus 3). De Roomschen beschuldigden de Lutherschen daarom van manicheïsme 4). Maar zij beleden toch in de Form. Conc. uitdrukkelijk, dat de zonde geene substantie was, en alle theologen stemmen daarmede in. Ofschoon de Lutherschen over het algemeen zelfs het traducianisme huldigden en dus geneigd waten, om de erfzonde door de carnalis concupiscentia te laten voorplanten B), toch zegt Melanchton daar ter plaatse ook, dat hij er niet op tegen heeft, natos etiam propter lapsum Adae reos esse; de Form. Conc. verklaart, dat de erfzonde is culpa seu reatus, quo fit, ut omnes propter inobedientiam Adae et Hevae in odio apud Deum et natura filii irae simus 6), en later zeggen verscheiden Luthersche theologen, dat Adam niet alleen te beschouwen is als caput physicum, maar ook als caput morale seu

') Calvijn., Inst. III 3, 10.

a) Bij Eöstlin, Luthers Theol. II 366 v.

') J T. Muller, Die Symb. Bücher" 589. 594. Verg. Frank, Theol. der Conc.

1 138.

*) Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. V 4 v. Becanus, de pecc. orig. qu.

2 v. Möhler, Symb. bl. 66 v.

') Luther bij Köstlin, II 367. Melanchton, Loei Comm. de pecc. orig. C. R. XXI bl. 668 v., verg. Frank, t. a. p. I 50 v.

e) Miiller, Symb. B. 576.

Sluiten