Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

foederale generis humani, en dat daarom zijne overtreding aan allen wordt toegerekend 1).

De Gereformeerden wachtten zich van den beginne af voor dergelijke sterke uitdrukkingen, als de Lutherschen soms bezigden; Calvijn keurde de bovengenoemde beelden volstrekt niet goed 2). Maar toch leerden ook zij, dat de erfzonde negatief in carentia justitiae originalis en positief in corruptio naturae bestond, en dat zij haar oorzaak had in de toegerekende overtreding van Adam 8). Er heerschte op dit punt eene zeer groote overeenstemming. Rivetus verzamelde eene lange reeks van uitspraken uit kerkelijke belijdenissen en theologische werken, die allen hetzelfde leeren *). Er kwam echter bestrijding dezer leer uit de school van Saumur; Placaeus leerde n.1. in zijne theses de statu hominis lapsi ante gratiam 5), dat de ongehoorzaamheid van Adam aan zijne nakomelingen slechts middellijk werd toegerekend, d. i. slechts in zoover en op grond daarvan, dat zij al onrein uit hem geboren waren. Vroeger werd eenstemmig geleerd: corrupti nascimur, quia primum peccatum nobis imputatur; Placaeus keerde dit om en zeide: primum peccatum nobis imputatur, quia corrupti nascimur, en lichtte zijn gevoelen nog nader toe in zijne Disp. bipartita de imputatione primi peccati Adami 1655. De Synode te Charenton veroordeelde zijn gevoelen in 1645. Rivetus zamelde op last der Synode zijne bovengenoemde testimonia; verschillende theologen kwamen tegen de leer van Placaeus op, Heidegger, Turretinus, Maresius, Driessen, Leydecker, Marck, Comrie, Holtius enz. Maar de tijd scheen voorbij voor de reformatorische leer van de erfzonde. Placaeus vond overal ingang, in Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Amerika, bij theologen als Wyttenbach, Endemann, Stapfer, Whitby, John Taylor, Roell, Vitringa, Venema enz. 8), en ook bij de Lutherschen 7). In Amerika

') Quenstedt, Theol. II 53. 118. Hollaz, Ex. theol. 515. Schmiclt Dogm. der ev. luth. K. 172 v.

a) Verg. Schweizer, Oentraldogmen I 385, 394.

3) Calvijn, Inst. II 1. Comm. op Ps. 51: 7. Rom. 5:12 enz. Beza, Tract. theol. 1344. Martyr, Loei C. 68 v. Ursinus, Tract. theol. 202. Explic. Catech. qu. 7. Zanchius, Op. IV 30. Junius, Theses theol. 19. 20 en de boven aangeh. litt. Heppe, Dogm. 245 v.

4) Rivetus, Testimonia de imputatione primi peccati omnibus Adami posteris, Op. III 798—826, grootendeels m het Engelsch vertaald in Princeton Theol. Essays 1846 bl. 195—217.

') Placaeus, Synt. thesium theol. in acad. Salm. ed. 2. 1665 bl. 205.

') M. Vitringa, Doctr. Chr. II 349,

') Walch, Bibl. theol. sel. I 85.

Sluiten